Recensie

Daverende Bruckner door KCO met Jaap van Zweden

Klassiek Jaap van Zweden leidde het Concertgebouworkest in de Achtste symfonie van Bruckner. Zijn sporen als Bruckner-dirigent heeft hij ruimschoots verdiend.

Jaap van Zweden bij een repetitie. Foto Bram Petraeus

Jaap van Zweden is weer even terug bij het Concertgebouworkest, waar hij ooit als negentienjarige concertmeester werd. Na de zomer treedt Van Zweden aan als chef-dirigent van het New York Philharmonic, op een steenworp afstand van de Juilliard School waar hij als tiener viool studeerde. Onlangs verscheen al zijn eerste cd met zijn nieuwe orkest, gewijd aan Beethoven. Maar waar zijn New Yorkse debuut-cd verrassend tam klonk, maakte Van Zwedens Amsterdamse uitvoering van Bruckners Achtste symfonie een daverende indruk.

Sowieso heeft Van Zweden zijn sporen als Bruckner-dirigent ruimschoots verdiend. Laatst nog leidde hij in Rotterdam een filmische Vijfde en met het Radio Filharmonisch zette hij een geweldige Bruckner-cyclus op cd. In vergelijking met Van Zwedens opname van de Achtste uit 2012 was de uitvoering door het Concertgebouworkest grootser (je zou haast zeggen: Amerikaanser) van klank, ietwat statiger en bezonkener. Maar het muzikale betoog dat Van Zweden over tachtig minuten uitspon was ronduit meeslepend en deed recht aan zowel de uiterlijke euforie als aan de duistere onderstroom van het werk.

Het begin van het Scherzo is een goed voorbeeld van Bruckners bloksgewijze benadering van dynamiek en kleurenspel. Die wordt wel vergeleken met de werking van een orgel en kan soms hoekig uitpakken. Maar Van Zweden schakelde juist soepel tussen de verschillende registers. De uitgebalanceerde montage blonk uit in fraaie overgangen, nergens werd een frasering slordig afgehecht of ontbrak het een rustmoment aan ademsteun.

Het Concertgebouworkest speelde uitmuntend in al zijn geledingen. De desolate fluit halverwege het eerste deel behield een adembenemende soevereiniteit. De strijkers gloeiden in het Adagio, dat bekroond werd met een schitterend uitgespeeld slot waarin het kwartet Wagnertuba’s als donker fluweel van tint verschoot. De Finale eindigde martiaal en stralend. Maar het knappe was vooral dat je onder de oppervlakte steeds dat bange, dappere, hoopvolle hart voelde kloppen.