Mijn huisgenoten zijn nu als zussen

Dagboek Je bent 21 en hebt longkanker. Floor van Liemt schrijft over wat haar overkomt.

Illustratie Merel Corduwener

Met een grote weekendtas aan mijn schouder bel ik aan bij mijn Villa Kakelbont-achtige studentenhuis. Terwijl ik wacht, hoor ik het bekende geluid van iemand die de trap afstormt. De jongste huisgenoot doet open en vliegt me in de armen.

Als ik binnenkom is het chaotisch als altijd. In de gemeenschappelijke ruimte worden de lange tafels om aan te eten en de blauwe stoelen in de juiste positie gezet, terwijl in de rommelige keuken een low-budget-driegangendiner in elkaar wordt geflanst. „Wat doen jullie aan?”, roept een huisgenoot van boven, die in haar handdoek net onder de douche vandaan komt.

Ik moet lachen als ik de bekende borrelplank op tafel zie staan. Daarop een keiharde brie en port salut met toastjes, allemaal van het huismerk van Aldi. Die smaken eigenlijk naar niks, maar toch weet ik dat er straks gulzig zal worden aangevallen.

Voordat het diner begint, zet ik mijn tas op mijn kamer. Ik zit op mijn bed en staar een tijdje naar de spullen om me heen. Mijn ogen dwalen af van het doek met olifanten aan de muur dat ik van mijn ex-vriendje kreeg, naar de platenspeler en het bureau waaraan ik heb zitten studeren. Ik weet dat deze spullen me dierbaar zijn en toch voel ik een enorme afstand, alsof ze niet echt van mij zijn.

Op de meeste foto’s aan de muur sta ik zelf, lachend met vrienden op een gala of in een oncharmant verkleedpak of met vrienden van school. Ze stralen een onbezonnenheid uit waarvan ik weet dat die nooit meer op dezelfde manier terug zal komen. Het beeld raakt me, roept gemengde gevoelens op. Melancholie en boosheid, jaloezie haast.

Ik zou iets tegen het blonde meisje op de foto’s willen zeggen. „Wees niet zo naïef, je kunt jezelf maar beter gaan voorbereiden op wat er nog komt!” Maar ook: „Neem die onbezonnen tijd niet voor lief, geniet er alsjeblieft driedubbel zoveel van.”

Steeds meer dringt tot me door: ik bén mijn lichaam niet

Ik besluit een lange douche te nemen. De fysieke warmte is troostend, als een omhelzing. Ik probeer me in te beelden dat met het water dat langs mijn lichaam glijdt ook mijn zorgen en verdriet in het putje verdwijnen.

Als ik me heb afgedroogd, kijk ik in de spiegel. Ik zie mezelf ten voeten uit. Ik probeer me te verhouden tot dat wat ik zie, wil voelen of het allemaal wel echt is. Met een hand ga ik langs mijn hals en brede schouder. Dan over mijn zachte buik, heupen, billen en het dijbeen waar de spier haast bovenop lijkt te liggen. Ik ben van nature sportief gebouwd, mijn lijf heeft er altijd sterk uitgezien. Dat het er vanbinnen zo slecht aan toe is blijft moeilijk te bevatten.

Floor van Liemt schrijft een serie over wat haar overkomt. Lees hier het eerste deel: Ik vind mijn kanker een brutale aap

Steeds meer dringt tot me door: ik bén mijn lichaam niet, ik woon er alleen maar in.

Als ik een half uur later, omringd door mijn huisgenoten, aan tafel zit, ebt het nare gevoel weer weg. Het zijn mijn negen beste vriendinnen. Meer dan dat: ze zijn als zussen. Stuk voor stuk leven ze met me mee, ieder op haar eigen manier. De één is er voor eindeloos lange telefoongesprekken en schroomt niet om diepe vragen te stellen. De ander stuurt me appjes met flauwe woordspelingen, waar ik groot fan van ben.

Terwijl ik me vervreemd voel van mijn spullen en mijn lijf, is het contact met deze zussen vertrouwder dan ooit. Dat is een ongelooflijke troost. De rest komt wel weer, beloof ik mezelf, terwijl ik nog maar zo’n heerlijk toastje met plastic brie naar binnen schuif.