Aantal antisemitische incidenten neemt af

Nederland

Het aantal antisemitische incidenten is vergeleken met andere landen heel laag.

Met een Palestijnse vlag in de hand en een Arafatsjaal om zijn hoofd sloeg een man in december de ruiten in van het Joodse restaurant HaCarmel in Amsterdam. De 29-jarige dader, een uit Syrië gevluchte Palestijn, richtte zijn woede „niet op Joden, maar op de Israëlische regering”, zei zijn advocaat in NRC. Een dag eerder besloot de Amerikaanse president Trump Jeruzalem te erkennen als hoofdstad van Israël. In de maanden erna werd het restaurant nog besmeurd met etenswaren en vloog er een stoeptegel door de ruit.

Toch is het aantal antisemitische incidenten in Nederland de afgelopen tien jaar afgenomen. Dat blijkt uit recent verschenen onderzoek van hoogleraar migratiegeschiedenis Leo Lucassen en onderzoekster Annemarike Stremmelaar, verbonden aan de Universiteit Leiden. „Vergeleken met andere landen is het aantal antisemitische incidenten in Nederland heel laag”, zegt Lucassen. Hij vergeleek antisemitismecijfers tussen 1995 en 2016. „Voor zover er antisemitische oprispingen zijn, hangt dat sterk samen met het conflict in Israël en Palestina.” Dit ‘nieuwe’ antisemitisme verschilt daarmee van het ‘oude’, dat zich voornamelijk richt op de vermeende Joodse wereldheerschappij.

Dat de scheidslijn tussen Israël-kritiek en antisemitisme dun is in Nederland, ziet ook Naomi Mestrum, adjunct-directeur van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI): „Zodra er iets in Israël gebeurt, piekt het aantal antisemitische incidenten.” Al bestaat er volgens haar ook een „meldingsmoeheid” in de Joodse gemeenschap.

In Nederland wonen 40.000 tot 50.000 Joden, 0,3 procent van de bevolking, de meesten in Amsterdam-Zuid en Amstelveen. „En van deze groep, gaan weinig mensen herkenbaar als Jood over straat”, zegt Mestrum. Het verklaart het lage aantal antisemitische incidenten.

Lucassen, die onderzoek deed naar de relatie tussen het groeiende aantal vluchtelingen in Nederland en antisemitisme, constateert dat anti-Joodse delicten nauwelijks door vluchtelingen worden gepleegd. Binnen het antisemitisme vallen twee andere profielen op: extreem-rechtse lieden, „die veelal het complotidee van de Jood die de wereld overheerst aanhangen”, zegt Lucassen, „en kinderen van Marokkaanse migranten”. De beeldvorming over de laatste groep is negatief, zij identificeren zich daardoor makkelijker met andere slachtoffers, zoals Palestijnen, stelt Lucassen. „Het is eerder een integratie-, dan migratieprobleem.”

Jaarlijks vinden honderden meldingen van antisemitisme plaats, voornamelijk op het internet. Het Openbaar Ministerie telt tientallen strafbare incidenten per jaar, van voornamelijk belediging en bekladding. Ongeveer tweederde van de antisemitische meldingen is voetbalgerelateerd.

Na de aanslag in Brussel op het Joods Museum in 2014 is de beveiliging van Joodse instellingen verscherpt. In Amsterdam kregen alle Joodse gebouwen een politiecontainer voor de deur met (camera)bewaking. Juli vorig jaar besloot de gemeenteraad ze te vervangen door camera’s. Een joodse school in Amsterdam-Zuid bouwde een stalen hek om het gebouw. En bij drukke bijeenkomsten was de marechaussee er. Ondanks alle maatregelen, voelen Joden zich toch minder veilig in Nederland. „Blijkbaar zijn die enorme veiligheidsacties nodig”, verwoordt Mestrum van het CIDI de stemming onder veel Joden. „Het geeft een onbehaaglijk gevoel.”

Desondanks kunnen de meeste Joden bijna overal herkenbaar over straat in Nederland. „In Amsterdam is men het gewend”, zegt Mestrum. „Er wordt nauwelijks opgekeken, al zijn er wijken waar de ervaringen minder prettig zijn.”

Soms zet iemand een pet over zijn keppeltje op om niet nageroepen te worden. „In bepaalde delen van de Haagse Schilderswijk kan ik me voorstellen dat het niet kan, maar er is ook niemand die het gaat proberen.”