Voortaan kon echt alles kunst zijn

Beeldende kunst

Ook in de kunstwereld was 1968 een jaar van chaos en oproer. Kunstenaars zetten zich af tegen de gevestigde orde en hadden nieuwe, drastische opvattingen over wat een kunstwerk zijn kon. Conceptuele kunst en land art werden geboren.

Edward Kienholz, The Portable War Memorial, 1968. 290 × 975 × 244 cm. Foto Museum Ludwig, Keulen

Op 5 juni 1968, de dag dat presidentskandidaat Robert Kennedy in Los Angeles wordt neergeschoten, ligt kunstenaar Andy Warhol in een ziekenhuisbed in New York en vecht voor zijn leven. Twee dagen eerder is hij in zijn eigen atelier, The Factory, beschoten door de radicale feministe Valerie Solanas. Bij aankomst in het Columbus Hospital wordt Warhol klinisch dood verklaard. Maar wanneer de artsen ontdekken wie ze op hun operatietafel hebben liggen, besluiten ze hem alsnog te opereren. Dagenlang zweeft de kunstenaar tussen leven en dood. Als hij zo nu en dan weer bij bewustzijn komt, hoort hij op de televisie steeds weer de woorden ‘Kennedy’ en ‘aanslag’ en ‘neergeschoten’. Kennedy, die ook in kritieke toestand verkeert, verdringt Warhol van de voorpagina’s. Hij sterft 26 uur na de aanslag, Warhol overleeft de zijne.

Andy Warhol, met de littekens die hij overhield van de aanslag op zijn leven door feministe Valerie Solanas
Foto Robert Levin
Andy Warhol, met de littekens die hij overhield van de aanslag op zijn leven door feministe Valerie Solanas.
Foto Robert Levin

In 1968, misschien wel het meest roerige jaar sinds de Tweede Wereldoorlog, lopen politieke ontwikkelingen en gebeurtenissen in de kunstwereld soms opvallend parallel. Ook in de kunsten is 1968 een jaar van oproer. Kunstenaars zetten zich af tegen de gevestigde orde, breken grenzen open, verklaren zich solidair met de studenten die protesteren tegen de oorlog in Vietnam. Ze zoeken nieuwe kunstvormen die niet meer gebonden zijn aan museale ruimtes of commerciële galeries. De eerste land-artkunstenaars trekken de wijde wereld in om daar hun sculpturen te bouwen. Conceptuele kunstenaars schoppen de heersende modernistische dogma’s omver. En dankzij de introductie van de draagbare videocamera Sony Portapak kunnen al die ontregelende happenings, acties en performances haarscherp gedocumenteerd worden.

De naoorlogse kunstwereld was tot dan toe behoorlijk a-politiek geweest. Dominante stromingen als abstract-expressionisme, minimal art en op art waren abstract en formeel. Rechthoekige objecten met gladde oppervlakken, metersgrote doeken met monochrome kleurvlakken – het was allemaal vrij onpersoonlijk, koel en afstandelijk. Alleen bij pop-artkunstenaars, die hun beelden vaak rechtstreeks aan de media ontleenden, sijpelde er wel eens iets politieks tussendoor. Robert Rauschenberg had in 1963 een serie collages (Retroactive) gemaakt waarin John F. Kennedy en NASA-astronauten figureerden. Andy Warhol gebruikte in 1964 een indringende krantenfoto voor zijn zeefdruk Birmingham Race Riot, waarop te zien is hoe aanhangers van Martin Luther King in Birmingham, Alabama door de politie met wapenstokken en honden belaagd worden. En Edward Kienholz had in 1965 zijn beroemde Beanery gebouwd, nadat hij een jaar eerder verafschuwd de krantenkop ‘Children Kill Children in Viet Nam Riots’ had gelezen.

Solidariteit

Maar de vlam sloeg pas echt in de pan in 1968. In Parijs stonden studenten en arbeiders samen op de barricaden. In Amerika spreidden de protesten zich na de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy over heel het land uit. Bij de Democratische Conventie in Chicago sloeg op 28 augustus de massaal aanwezige politie hard in op de tienduizenden demonstranten die protesteerden tegen de Vietnamoorlog. Via de televisie was de hele wereld getuige van het politiegeweld. Deze ‘Battle of Michigan Avenue’ betekende een omslag in de publieke opinie: veel Amerikanen die zich tot dan toe afzijdig hadden gehouden, keerden zich tegen de oorlog. Ook veel kunstenaars zagen het vanaf dat moment als hun morele plicht om de protesten te steunen.

Beeldhouwer Claes Oldenburg was een van de slachtoffers van het politiegeweld in Chicago. „Ik werd tegen de grond gesmeten door zes vloekende agenten die me schopten en wurgden en me een communist noemden”, zo vertelde hij tegen Time Magazine. Een groep van vijftig kunstenaars besloot uit solidariteit met Oldenburg de stad Chicago te boycotten, zolang burgemeester Richard Daley er nog aan het roer zat. In een telegram, ondertekend door onder meer Philip Guston, Ellsworth Kelly, Roy Lichtenstein, Robert Motherwell, Barnett Newman, Carl Andre, Eva Hesse en Robert Smithson, stelden zij: „De recente acties van de politie van Chicago, geregisseerd en ondersteund door burgemeester Daley en niet afgewezen door de inwoners van Chicago hebben die stad aangemerkt als ongeschikt voor lidmaatschap van een beschaafde samenleving.”

Claes Oldenburg, Fireplug, 1968

Foto Jannes Linders

Zelf maakte Oldenburg naar aanleiding van de rellen een dieprode sculptuur van een brandkraan uit Chicago, met dikke acrylverf die droop als het bloed van de slachtoffers (Fireplug). Ed Kienholz was intussen begonnen aan zijn Portable War Memorial, een driedimensionale parodie op de beroemde foto van zegevierende Amerikaanse militairen na de slag om Iwo Jima. De sculptuur, nu in de collectie van het Ludwig Museum in Keulen, is opklapbaar en de datum van de te herdenken oorlog kan eenvoudig worden aangepast – iets wat de zinloosheid van de strijd van de soldaten alleen maar onderstreept.

In New York organiseerde kunstcritica Lucy Lippard in oktober 1968 een benefiettentoonstelling in de pas geopende Paula Cooper Gallery met veertien kunstenaars die ‘tegen de oorlog’ waren. De opbrengsten waren bestemd voor de Student Mobilization Committee to End the War in Vietnam. ‘For Peace’, stond er boven de prijslijst met kunstwerken van onder meer Carl Andre, Dan Flavin en Donald Judd.

De ‘Peace’-tentoonstelling is achteraf gezien vooral van kunsthistorisch belang gebleken omdat een van de deelnemers, Sol LeWitt, er zijn eerste muurschildering maakte. Wall Drawing #1 bestond uit een systeem van parallelle lijnen – verticaal, horizontaal en diagonaal – die met potlood direct op de muur waren getekend. In 1968 was dat een revolutionaire daad: opeens was de drager van LeWitts kunstwerk geen stuk papier of schilderdoek meer, maar een wand. Het kunstwerk was een idee, een handleiding, een set geschreven regels die op iedere willekeurige plek en door elke willekeurige galeriemedewerker kon worden uitgevoerd – zoals een muziekpartituur.

In juni 1967 had LeWitt al in het tijdschrift Artforum een belangwekkend manifest gepubliceerd: Paragraphs on Conceptual Art. Daarin schreef hij: „Als een kunstenaar een conceptuele vorm van kunst maakt, dan betekent dat dat al de plannen en beslissingen van tevoren al zijn gemaakt en genomen en dat de uitvoering een routineklus is. Het idee wordt de machine die de kunst maakt.” En: „Conceptuele kunst is alleen goed als het idee goed is.”

Zijn Amerikaanse collega Lawrence Weiner had ongeveer dezelfde gedachte, toen hij na een ongelukkige vernieling van zijn tijdelijke installatie Staples, Stakes, Twine, Turf op Windham College besloot om zijn kunstwerken voortaan alleen nog maar in geschreven vorm voor te stellen. Op het grasveld van de campus had hij met palen en touwen een soort dambordpatroon gemaakt, maar de studenten hadden de hinderlijke touwen vrij snel daarna weer doorgesneden. Kort daarop publiceerde Weiner zijn eerste boek Statements, met op elke pagina een ‘voorstel’ voor een kunstwerk. Zoals: ‘Een veld met kraters gemaakt van gestructureerde gelijktijdige TNT-explosies.’ Of: ‘Een gat in de grond van ongeveer een voet [ca. 30 cm, red.] bij een voet bij een voet gevuld met ongeveer een gallon [4,5 liter] witte verf op waterbasis.’ Net als bij LeWitt ging het hier slechts om instructies die museumdirecteuren bij Weiner af konden nemen en laten uitvoeren door hun assistenten.

Lawrence Weiners installatie Staples, Stakes, Twine, Turf op Windham College, 1968.
Foto Lawrence Weiner/ Phaidon
Lawrence Weiners installatie Staples, Stakes, Twine, Turf op Windham College, 1968.
Foto Lawrence Weiner/Phaidon

Persoonlijk handschrift

Zo zag in 1968, het jaar dat aartsvader van de ideeënkunst Marcel Duchamp overleed, de conceptuele kunst het licht. Opeens deden zaken die eeuwenlang cruciaal waren geweest in de waardering van westerse kunst, zoals een persoonlijk handschrift of een vorm van virtuositeit of ambacht, er niet meer toe. De hand van de meester was niet langer belangrijk. Kunstwerken konden ook uit processen bestaan. Het groeien van bomen (Giuseppe Penone), het smelten van ijs, of zelfs de vluchtbewegingen van de meeuwen boven de New Yorkse haven (Hans Haacke) – het kon allemaal de basis zijn van een kunstwerk. De glossy objecten van de minimalisten maakten plaats voor meer aardse materialen als vilt, bomen, textiel, zand, gras, touw. In Italië bouwden de kunstenaars van arte povera hun sculpturen met onbewerkte stukken hout, glasplaten, staal en zelfs levende dieren. ‘Ontstoffelijking’, noemde Lucy Lippard deze nieuwe ontwikkeling in haar baanbrekende essay The Dematerialization of Art uit 1968 in het tijdschrift Art International. „Een aantal kunstenaars verliest zijn interesse in de fysieke verschijningsvorm van het kunstwerk”, schreef ze. En: „Als dit zo doorgaat, zal het kunstwerk geheel overbodig worden.”

Het lijkt wel of de chaotische taferelen in het leven van alledag ook hun weerslag hadden op het soort kunst dat gemaakt werd in 1968. De anti-autoritaire houding van de protesterende studenten zie je terug bij de kunstenaars, die massaal betaalbare multiples gingen vervaardigen om zo de exclusiviteit van de kunsthandel te ondergraven. Het aura van museale kunst werd ter discussie gesteld. Eenvoud, tijdelijkheid, onverkoopbaarheid – het waren in 1968 allemaal nieuwe eigenschappen in de kunst.

Wereldwijd was 1968 een onrustig jaar vol oproer en protest. Maar ook in de kunsten was 1968 een revolutionair jaar, waarin legendarische albums verschenen en nieuwe stromingen het licht zagen. Een interactieve tijdlijn vol meesterwerken.

Reizen als kunst

De kunst werd radicaler. Groter ook. Extremer. Op zijn eerste solotentoonstelling plakte de Franse kunstenaar Daniel Buren de statige glazen toegangspoorten van Galleria Apollinaire in Milaan af met groen-witte strepen, zodat niemand er nog naar binnen kon. In München stortte de Amerikaan Walter De Maria de Heiner Friedrich Galerie vol met pure, zwarte aarde en zette zo zijn vraagtekens bij het nut van galeries. In zijn Munich Earth Room was verder niets te koop.

Michael Heizer en Robert Smithson bij Mono Lake tijdens hun eerste roadtrip door Amerika, in juli 1968. Foto Nancy Holt

De vrijheid leek geen grenzen te kennen. Er werd door kunstenaars naar hartelust gereisd en ook die reizen zelf vormden weer de basis van nieuwe kunstwerken. In de zomer van 1968 begonnen drie jonge kunstenaars uit New York – Michael Heizer, Robert Smithson en Nancy Holt – aan een avontuurlijke roadtrip door de woestijn in het zuidwesten van de VS. Smithson verzamelde stenen die hij later dat jaar tentoonstelde op de expositie Earthworks in de galerie van Virginia Dwan in New York. Holt schoot er beelden voor haar film Mono Lake. En Heizer begon met pikhouwelen geulen te graven in het landschap iets ten zuiden van Las Vegas, die hij vervolgens fotografeerde. Het waren de eerste vingeroefeningen voor de veel grotere kunstwerken (Sun Tunnels, Spiral Jetty, Double Negative) die het drietal enkele jaren later in de woestijn zou achterlaten. Een nieuwe kunstvorm, land art, was geboren.

Christo and Jeanne-Claude, Wrapped Kunsthalle, Bern, 1968.
Foto Carlo Bavagnoli
Christo and Jeanne-Claude, Wrapped Kunsthalle, Bern, 1968.
Foto Carlo Bavagnoli

Het Bulgaars-Franse kunstenaarsechtpaar Christo en Jeanne-Claude had intussen grootse plannen bedacht voor de vijftigste verjaardag van de Kunsthalle Bern. Ze hadden al eerder objecten ingepakt, zoals een boom, die te zien was geweest in het Van Abbemuseum in Eindhoven. Nu wilden ze voor het eerst een heel gebouw inpakken. In juli 1968 hadden ze ruim 2.400 vierkante meter doorzichtig doek en drie kilometer aan nylon touw nodig om het museum te omhullen. Ter hoogte van de ingang brachten ze een snee aan, zodat bezoekers toch naar binnen konden. In zes dagen was de klus geklaard. Het was de opmaat voor een nog veel groter project: het inpakken van een stuk Australische kust van 2,4 kilometer lang. Daarvoor was ruim 92.000 vierkante meter aan stof nodig en ruim 56 kilometer touw. Maar toen was het intussen alweer 1969.

Lezersonderzoek

Hoe heeft de generatie van ’68 haar idealen doorgegeven aan de volgende generatie? NRC is benieuwd naar uw ervaringen. Stond u zelf op de barricaden en heeft u geprobeerd uw kinderen op te voeden in de geest van ’68? Heeft u studenten of andere jongeren kunnen inspireren met uw ervaringen? Of bent u juist kind van een babyboomer en besloot u het zelf allemaal anders te doen? Wij hopen dat u uw ervaringen met NRC wilt delen. Doe mee via nrc.nl/lezerspeiling.