Taal is geen wiskunde en geen logica

Ewoud Sanders

Foto’s ANP, Bewerking NRC

Een paar weken geleden werd de tentoonstelling Joden en het Huis van Oranje in de Portugese Synagoge in Amsterdam geopend met een plechtige bijeenkomst waarbij ook Willem-Alexander aanwezig was. Voordat de koning arriveerde, kreeg het publiek de instructie dat er geen foto’s mochten worden gemaakt. Ook geen selfies met de koning.

Om die toevoeging werd gelachen – het idee alleen al!

Op Koningsdag was te zien dat er talloze selfies met Willem-Alexander werden gemaakt. Er blijkt zelfs een woord voor te bestaan: royal selfie.

Willem-Alexander deed er goedmoedig aan mee. Lachend, handenschuddend, poserend. Hij heeft daarmee een trend gezet, vermoed ik. Steeds meer onderdanen zullen een royal selfie willen, waardoor ook deze woordcombinatie in het Nederlands algemeen bekend zal worden.

Driedubbel. NRC kopte vorige week: „Driedubbele vergismoord schokt Mexico”. Het ging over drie studenten die per vergissing waren vermoord.

Drie studenten? Sommige lezers keken daarvan op. „Driedubbel betekent immers zes”, schreef een lezer. „De krant bedoelde natuurlijk: drievoudig.’’

Jaarlijks krijg ik brieven over dit onderwerp. Dubbel betekent hetzelfde als tweemaal. Logischerwijs betekent driedubbel dan 2 x 3 = 6. Vierdubbel betekent ‘acht’, enzovoorts.

Maar dat is niet juist. Tweedubbel betekent hetzelfde als dubbel en tweemaal. En driedubbel betekent hetzelfde als drievoudig en driemaal. Dat is onlogisch en dus verwarrend, zeker als je bedenkt dat er bij damesdubbel en herendubbel wel degelijk sprake is van 2 x 2 = 4 spelers.

Ook het genootschap Onze Taal krijgt geregeld brieven over deze kwestie. Op hun website schrijven zij onder meer: „Taal is geen wiskunde. En ook geen logica. Een ouder iemand is niet [noodzakelijk] ouder dan een oud iemand [...] en drie keer meer en drie keer zo veel betekenen in de praktijk vaak hetzelfde.’’

70 plus. Vraag van een lezer: „Sinds ik de vijftig ben gepasseerd, valt mij op dat de term ‘50 plus’ vaak wordt gebruikt voor iedereen van vijftig tot honderd. Voor ‘ouderen’ in het algemeen dus. In mijn jeugd heette die groep ‘65-plussers’. Omdat de pensioengerechtigde leeftijd steeds meer richting de zeventig kruipt, lijkt met mij logisch de term zeventigplusser te gebruiken, maar de politieke partij voor ouderen heet 50Plus, er is een ‘50PlusBeurs’ (o.a. voor hulpmiddelen voor ouderen) en onlangs las ik, in de aankondiging van een computercursus in het plaatselijke verzorgingstehuis: ‘In deze cursus leren 50Plussers hoe ze kunnen e-mailen en internetbankieren.’ Kunt u nagaan wanneer de term ‘50 plus’ in zwang is gekomen?”

Inderdaad opmerkelijk. Ouderen blijven langer vitaal, maar tegelijk is de generieke leeftijdsindicatie voor ouderdom gedaald van 65 plus naar 50 plus. Tot mijn verrassing zijn de aanduidingen 65-plusser en 50-plusser ongeveer even oud: de eerste vond ik sinds 1969, de tweede sinds 1970.

Ontegenzeggelijk is 50-plusser het afgelopen decennium aan een grote opmars bezig, terwijl 65-plusser door de gestage verhoging van de pensioenleeftijd een leeg begrip aan het worden is. 70-plusser lijkt me niet veel kans maken, omdat er voor 50-plussers al zoveel specifieke belangen te behartigen zijn. De aanduiding ouderen lijkt mij te vaag. Overigens vond ik het woord vijftigplusser voor het eerst in 1962, maar dat bleek over een kolossale kaas te gaan die al ruim vijftig jaar had liggen rijpen.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders
    • Ewoud Sanders