Met een dansleger op de barricade

Hedendaags popprotest

In 1968 zongen popartiesten over revolutie. Maar waar maken de protestzangers van nu zich druk om? Identiteit is een issue.

Beyoncé tijdens de Super Bowl, in het Levi’s Stadium in Santa Clara, 2016 Foto Robert Beck/ Getty

Als vanouds zweefde het opblaasvarken uit Pink Floyds album Pigs, symbool voor machtswellust, boven het publiek tijdens de laatste tour van zanger en bassist Roger Waters (75). Met Trumps hoofd afgebeeld, beklad met de leus ‘F*ck trump’, was de boodschap onomwonden. Tijdens klassieker ‘Another Brick in The Wall’ onthulde een marcherend kinderkoor hun shirt verborgen onder oranje gevangeniskledij: ‘RESIST!’. Een aanklacht tegen het detentiekamp op Guantánamo Bay.

Deze keuzes moest Waters in interviews met CNN en ABC verdedigen. Was hij niet bang dat fans het oneens waren? En bereikte hij met deze theatrale protesttour de commerciële doelen wel? Waters reageerde licht verontwaardigd: „Fans vragen waarom ik praat over politiek. Maar hoe heeft iemand vijftig jaar lang naar mijn muziek kunnen luisteren zonder het te begrijpen?” Waters doet niks nieuws, wilde hij maar zeggen. En, zei hij ook: de popmuziek van nu is vaak ‘als suiker’ en heeft weinig diepgang.

Met zijn uitgesproken idealisme speelt de jarenzestigrocker stug door in een oude toonaard. Want hoewel de twintigste eeuw met zijn kritische folk-, punk- en hiphopbewegingen bol staat van de iconische protestsongs, werd de relatie tussen pop en politiek na de eeuwwisseling wat ongemakkelijk. U2 schreef in de jaren tachtig nog ‘Sunday Bloody Sunday’, maar Bono staat, met zijn goededoelendrang, inmiddels bij velen bekend als een prekerige filantroop. In 2015 nam Muse, na kritisch fan-onthaal van Drones, snel gas terug. „We zijn geen politieke band. Dit is geen politiek album”, haastte de band te zeggen. Popartiesten die zich met hun muziek mengen in een politieke discussie, krijgen al snel het verwijt te hoog van de toren te blazen.

Het is wellicht de reden dat in het Trump-tijdperk tal van artiesten teruggrijpen naar de tijdloze popklassiekers. De usual suspects: troubadours als Bob Dylan en Woody Guthrie. Maar als ‘Times They Are a Changing’ voor de zoveelste keer wordt aangehaald ter duiding van de tijdsgeest, begint het te wringen. Want zijn de tijden niet veranderd? De jaren zestig brachten het gevoel dat muziek de revolutie kon ontketenen. De Beatles hoefden maar over de Vietnamoorlog te spreken om het nieuws te halen. Protestmuziek was taboe, maar had in de ontketenende lente een grote zeggingskracht.

Trump als schietschijf

Maar wat zijn de thema’s waar de popartiesten van nu zich druk over maken? Wie werpt zich op? Oorlogen in verre landen zijn niet het voornaamste onderwerp. Trump lijkt vooral schietschijf, een kortstondig afreageren. De urgentie komt van dichter bij huis: de problemen rondom groepsidentiteiten als gender en ras.

Dat fris muzikaal engagement kwam met Kendrick Lamar vanuit de van oorsprong politieke hiphop. Maar niet zoals Public Enemy of N.W.A dat in de jaren negentig deden met fel woedende slogans richting het Reagan-regime of de discriminerende politie. Op meesterwerk To Pimp a Butterfly verpakte Lamar zijn kritische noot in uiterst persoonlijke reflecties over ras in Amerika. ‘I got power, poison, pain and joy inside my DNA’, rapte hij op ‘DNA’. Opgegroeid als zwarte Amerikaan in Compton, vroeger een van de dodelijkste en armste voorsteden van Los Angeles, ziet Lamar zichzelf verworden tot een vat van tegenstrijdigheden. Op ‘The Blacker the Berry’ rapte hij geconflicteerd over de zwarte jongen Trayvon, die door een witte politieagent doodgeschoten werd: „Why did I weep when Trayvon Martin was in the street/ When gangbanging make me kill a nigga blacker than me? Hypocrite!” „Ik wilde niet spreken over wat gaande is in de wereld of de manier waarop ze ons neerzetten”, sprak Lamar in The Guardian over de racismekwestie. „Spreek jezelf aan, reflecteer eerst zelf. Dat is waaruit de eerste verandering zal voortkomen.”

Lamar werd het muzikale boegbeeld van de anti-racistische Black Lives Matter-beweging die ontstond als reactie op het politiegeweld tegen zwarte Amerikanen. Zijn vervlechting van persoonlijk en politiek inspireerde Chance the Rapper, Solange en Anderson .Paak. Beweging en muziek kwamen groots bijeen in een explosief optreden van Beyoncé tijdens de Super Bowl 2016. Het zou de opmars vormen naar Lemonade, een muzikale reflectie over zwart- en vrouwzijn in de VS.

Negatieve stereotypes

Het hek was van de dam. Want ook Beyoncé liet zien hoe mainstream weer politiek mocht zijn. Ze klonk niet geconflicteerd, maar empowered over haar identiteit als zwarte vrouw uit de zuidelijke VS. Negatieve stereotypes viel ze aan met krachtige taal, danslegers en talloze verwijzingen naar ‘zwarte’ muziekgenres. Van strijd maakte Beyoncé tegelijkertijd viering.

De muziekindustrie nam de fakkel over. Inmiddels zijn de Grammy’s en Superbowl net als de Oscars een politiek theater. Lady Gaga koos nog voor het officieuze Amerikaanse volkslied ‘This Land is your Land’ van Guthrie. Katy Perry wou woke zijn als Beyoncé. Op ‘Chained to the Rhythm’ zong ze over leven in afzonderlijke bubbels. Het stak vlak af tegen de urgente schreeuw van Beyoncé.

Laatste aanwinst in de categorie identiteitspolitiek-meets-pop is het lovend ontvangen Dirty Computer van Janelle Monáe. Monáe verstopte zich voorheen in dandy-outfit, maar bezingt nu in vaginabroek (‘PYNK’) seksisme en haar persoonlijke genderstrijd. Haar verpersoonlijkingsproces werd breed uitgemeten in een bijkomende film. In een cyborg-achtig musical-spektakel bevrijdt Monáe zich van het idee een ‘dirty computer’ te zijn: haar seksuele geaardheid is geen besmettelijk virus, maar onderdeel van haar ware zelf. En daar klonk een kritische noot. Want de innerlijke strijd met groepsidentiteit werd een businessmodel. En zo krijgt Waters toch nog een tikkeltje gelijk. Popmuziek moeten we kunnen consumeren als suiker. Maar anno 2018 moet die weer kunnen steken, het liefst onderhuids.

    • Tjeu Derks