Commentaar

Mensen langer opsluiten met kortere proeftijd is een slecht idee

Van het wetsvoorstel om het vroeger vrijlaten van gedetineerden te beperken mogen geen positieve verwachtingen worden gekoesterd. Al was het maar omdat minister Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD) nogal wat doelen tegelijk tracht te raken. Zo belooft hij een „groter rechtvaardigheidsgevoel” bij de burger als een groter deel van de celstraf „ook echt” binnen de gevangenismuren wordt doorgebracht. En komt er volgens hem een einde aan het „vanzelf vrijkomen” van gedetineerden na tweederde van hun celstraf.

Wat meteen opvalt, is dat Dekker daarmee een vals beeld schetst van de huidige vervroegde invrijheidstelling, die jaarlijks in zo’n honderd gevallen door het OM wordt geweigerd of uitgesteld. De praktijk van het automatisch vervroegd vrijlaten na tweederde van de straf is al in 2008 gestaakt, met de invoering van een wet die sindsdien de zogeheten voorwaardelijke invrijheidstelling regelt.

Dat het kabinet meer maatwerk wil, een strengere individuele beoordeling en een ‘verdienmodel’ wil introduceren om vroeger vrij te mogen komen, kan best zijn. Het kan ook nuttig zijn. Maar doen alsof in de afgelopen tien jaar iedere gedetineerde met succes zijn proeftijd doorliep en er niemand door de rechter opnieuw is ingesloten om zijn strafrestant uit te zitten, is totaal onjuist. Van het idee van de ‘automatische’ proeftijd nam het kabinet Balkenende IV afscheid, niet Rutte III.

Dan de gedachte dat langer „binnen de muren” beter is en ook goed voor het immer subjectieve rechtvaardigheidsgevoel. Dekker wil voortaan pas vervroegd vrijlaten toestaan als er nog een straf van twee jaar rest. Nu kan de proeftijd beginnen als tweederde van de straf achter de rug is. Vooral bij langere straffen kan dat jaren extra opsluiten opleveren. Wie nu tot 18 jaar cel is veroordeeld komt bij 12 jaar in aanmerking voor een proeftijd, van 6 jaar. Dat moet volgens Dekker dus 16 jaar „binnen de muren” worden, met een maximale proeftijd van 2 jaar. Die zou volstaan om weer te kunnen integreren in de samenleving, meent hij.

Daaruit blijkt in ieder geval een geloof in de heilzame werking van de verlengde celstraf. Politiek is dat een populaire aanname, maar empirisch zijn er geen aanwijzingen voor dat langer „binnen de muren” zou werken. Integendeel – hoe langer in de cel, hoe groter de detentieschade en het recidiverisico. Verlies aan reguliere sociale contacten, huisvesting, familie, relatie, vaardigheden. De nieuwe maximale proeftijd van twee jaar betekent netto ook minder toezicht: kortere meldplichten, alcohol- of drugsbeperkingen, trainingen, toezicht of locatieverbod. Waarom toezicht ‘buiten de poort’ van twee jaar de voorkeur verdient boven proeftijden van vier of zes jaar, legt Dekker niet uit.

Hier wordt dus het kind met het badwater weggegooid: een uitruil van celstraf (langer) tegen proeftijd (korter). Waarbij het bovendien de vraag is of strafrechters die kennelijk gewenste langere tijd binnen de muren ook zullen honoreren. Deze maatregel is strafverzwarend: bij misdrijven van gelijke ernst zal de rechter daarmee straks rekening houden. De ‘bruto’ straf zal dan dalen om het netto-effect gelijk te houden. Op z’n best is het effect dan nul. Maar waarschijnlijk stijgt het recidive-risico door kortere proeftijden. Dan is het effect van deze kortzichtige maatregel dus hogere criminaliteit en minder veiligheid. Daar staan we dan, met ons ‘rechtvaardigheidsgevoel’. Met dank aan Dekker.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.