Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Jeroen Krabbé

Ik vond Jeroen Krabbé eigenlijk een gepasseerd station, iemand om wie we nu wel uitgelachen waren. Dat was voordat ik zondag bij fotograaf Jan Dirk van der Burg in de auto stapte om naar de voetbalwedstrijd Vitesse- FC Twente te gaan. We hadden ieder om eigen redenen spijt van deze afspraak en ondergingen de rit zwijgend.

Op Radio 1 het programma De Perstribune met de presentatoren Govert van Brakel en Margreet Reijntjes in bloedvorm. In de studio Jeroen Krabbé. Het badwater had precies de juiste temperatuur, Jeroen vond het er heerlijk en sprak bijna een uur zonder schroom over het Jeroen Krabbé-zijn.

Veel van de vragen van de presentatoren waren eigenlijk geen vragen maar eerder verkapte complimentjes. Precies goed dus.

Aanleiding was de nieuwe televisieserie Jeroen Krabbé zoekt Gauguin.

Vraag: „Waar zag je Gauguin voor het eerst?”

Jeroen: „Thuis natuurlijk. Net als Van Gogh en Picasso.”

Jeroen Krabbé over wat hem zo geschikt maakt als presentator van Jeroen Krabbé zoekt Gauguin: „Ik blijk te kunnen putten uit alles wat er tijdens mijn opvoeding in gestopt is. Een onuitputtelijke, gouden bron. Als ik over Gauguin begin, stap ik op een ander niveau in dan iemand anders. Ik ken hem van thuis. Ik ben mijn hele jeugd bestookt met cultuur.”

De eerste lachbui kwam ter hoogte van Amersfoort, toen Jeroen Krabbé de presentatoren meenam op het glibberige pad van de fantasie en dacht dat hij als mens misschien geen match zou zijn geweest met de schilders Gauguin en Van Gogh.

„Die waren toch wel heel erg met zichzelf bezig. Ik ben bang dat ik het geen dag met ze had uitgehouden.”

Even later bekende hij een colorist te zijn. „Ik ben altijd met kleuren bezig, ik moet kleuren zien.” Schilderen was volgens Jeroen een scheppende kunst, acteren een afgeleide kunst. Hij beheerste ze alle twee.

Geweldige vraag: „Heb je dat tweeluik in je leven nodig?”

Antwoord: „Ja, natuurlijk.”

Ze lieten hem fragmenten uit de beroemdste speelfilms horen waarin hij speelde.

Het paard kreeg met vlakke hand een suikerklontje gevoerd en vrat het meteen op.

Jeroen: „En dit is nog maar een kwart procent van alles wat ik heb gedaan.”

Het hield nooit meer op.

Jeroen Krabbé: „Ik kwam in Tate Modern in Londen, bij een tentoonstelling over Picasso, Nederlanders tegen die me staande hielden en zeiden dat ze ’s morgens nog even naar me gekeken hadden. ‘Wij hielden helemaal niet van Picasso’, zeiden ze. ‘Maar we begrijpen het nu.’ En toen dacht ik: ah, dit is dus wat ik teweeg kan brengen.”

Het werd die middag 5-0 voor Vitesse, na afloop lachten we nog steeds om Jeroen Krabbé.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.

    • Marcel van Roosmalen