Het jaar dat rockmuziek opstandig werd

Popmuziek In de pop was 1968 het jaar van ongekende mogelijkheden. Beatles en Stones mengden zich in de maatschappelijke discussie. The Doors brachten opwinding en James Brown voedde het zwarte zelfbewustzijn.

Jim Morrison bij een optreden in Frankfurt, 14 september 1968 Foto Michael Ochs Archives/Getty Images

Londen sliep en in Parijs gebeurde het. Mick Jagger had geen hoge dunk van het Britse oorlogsprotest, toen hij in maart 1968 getuige was van de anti-Vietnamdemonstratie bij de Amerikaanse ambassade op Grosvenor Square. Er waren schermutselingen met de oproerpolitie, maar het leek tam vergeleken bij de berichten over nationale bewegingen in Amerika en Frankrijk. Twee maanden later sloeg de vlam in de pan. „Everywhere I hear the sound of marching, charging feet, boy”, begon ‘Street Fighting Man’. De tekst van de Rolling Stones-hit was direct beïnvloed door de gebeurtenissen van mei 1968 in Parijs, vertelde Jagger later. Hij wilde de opwinding in een popsong vangen. „What can a poor boy do, except to sing for a rock-’n-roll band?”

1968 ontwikkelde zich als een jaar van ongekende mogelijkheden. Popmuziek was in beweging. De Summer of Love had in 1967 de naïeve boodschap van love & peace gebracht en jonge mensen met een idealistische inslag snakten naar verandering. De Beatles mochten niet langer zwijgen over maatschappelijke ontwikkelingen, vond John Lennon. Vragen over de oorlog in Vietnam en de protestbeweging had hij tot dan toe weggewimpeld, maar nu dacht hij daar anders over. In het Indiase Rishikesh aan de voet van de Himalaya, waar de Beatles in februari 1968 waren neergestreken om transcendentale meditatie te studeren bij Maharisha Maresh Yogi, schreef Lennon ‘Revolution’.

Wereldwijd was 1968 een onrustig jaar vol oproer en protest. Maar ook in de kunsten was 1968 een revolutionair jaar, waarin legendarische albums verschenen en nieuwe stromingen het licht zagen. Een interactieve tijdlijn vol meesterwerken.

„You say you want a revolution. Well, you know, we all want to change the world”, begon het aarzelend. Iedereen wilde een betere wereld, maar waar te beginnen? Aan een gewelddadig protest wilde Lennon niet meedoen: „When you talk about destruction, don’t you know that you can count me out.” In de studio voegde hij eraan toe: „But if you go carrying pictures of Chairman Mao, you ain’t going to make it with anyone anyhow.” Niemand houdt van fanatici, wilde hij zeggen.

Lennons goede bedoelingen werden bepaald niet algemeen opgevat als een constructieve bijdrage aan de linkse revolutie. Alternatieve media hekelden de Beatles om hun „verraad”, toen ‘Revolution’ in augustus 1968 verscheen op de B-kant van ‘Hey Jude’. Lennon had Mao er niet bij mogen halen. New Left Review sprak van „een kleinburgerlijke angstkreet”. „Count me out/in” had een vooruitziende Lennon de tekst al eerder aangepast voor de langzame versie ‘Revolution 1’ op The Beatles, beter bekend als het Witte Dubbelalbum (november 1968). Daarop stond ook Paul McCartneys ‘Helter Skelter’, een voor Beatlesbegrippen ongekend harde rocksong. In Californië hoorde sekteleider Charles Manson geheime boodschappen in de muziek. De Beatles voorspelden een bloedige rassenoorlog, dacht hij. In Mansons hoofd groeiden gewelddadige fantasieën.

Ramkoers

Pop in 1968 nam met de vrijblijvende boodschap van love & peace geen genoegen. Op het album We’re Only in It for The Money (maart 1968) staken Frank Zappa’s Mothers Of Invention de draak met de Beatles en de hippiecultuur. „Hey punk, where you’re going with that flower in your hand?”, vroeg Zappa op sarcastische toon. „I’m going up to Frisco to join a psychedelic band.” In San Francisco raakten de mooie idealen kant noch wal, vond Zappa. Quasi-hippies met pruiken hokten knetterstoned samen en gingen blootsvoets de straat op om zich door de politie in elkaar te laten slaan. De protestbeweging had zich vleugellam laten maken. Als albumcover bedacht Zappa een persiflage op het hoesontwerp van Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band (1967), waarbij de bandnaam Mothers was gespeld in wortels en watermeloenen. De platenmaatschappij hield de verwijzing naar de razend populaire Beatles liever klein en gebruikte het ontwerp alleen op de binnenkant van de klaphoes.

Rockmuziek werd opstandig en verzette zich tegen de gevestigde orde. The Doors leverden de soundtrack voor het wereldwijde studentenprotest. Op het album Waiting for the Sun (maart 1968) hekelden ze oorlogsgeweld in ‘The Unknown Soldier’ en ‘Five to One’. De strofe „No one here gets out alive!” klonk als een manifest. Zanger Jim Morrison, die de militaire dienst had ontweken door tijdens de keuring vol te houden dat hij homo was, voerde zijn eigen strijd. Als sekssymbool met een door drugs en alcohol aangewakkerd temperament lag hij op ramkoers met de autoriteiten. Een reeks van arrestaties wegens seksueel wangedrag en aanzet tot rellen achtervolgde hem. De muziek van The Doors ademde opwinding, non-conformisme, gevaar.

Massabeweging

Zwarte muziek bloeide in 1968. Motown had zich bewezen als hitfenomeen en leverde met Marvin Gayes ‘I Heard It Through the Grapevine’ een nieuwe popklassieker. Aretha Franklin consolideerde haar status als Queen of Soul en Sly & the Family Stone wentelden zich in het funky hedonisme van ‘Dance to the Music’. James Brown voedde het zwarte zelfbewustzijn met ‘Say It Loud, I’m Black and I’m Proud’. In april had de Godfather of Soul het nationale trauma van de moord op Martin Luther King enigszins kunnen verlichten, toen zijn concert in Boston rechtstreeks werd uitgezonden op tv en potentiële relschoppers binnen waren gebleven.

Popmuziek werd onderdeel van een massabeweging. Terwijl psychedelica als muzikale stroming alweer op zijn retour was, begon hardere rock terrein te winnen. Steppenwolf had een zomerhit met ‘Born To Be Wild’ van hun album Steppenwolf (januari 1968). The Who was begonnen aan de opname van Tommy, de rockopera waarmee ze spoedig gerespecteerde muziektheaters zouden bestormen. Gitaren sneuvelden, drumstellen werden omgetrapt. In Engeland werd de kiem gelegd voor de heavy rock van Led Zeppelin, Deep Purple en Black Sabbath. Jimi Hendrix was een superster, een jaar na Monterey Pop waar hij zijn gitaar letterlijk en figuurlijk had laten vlammen. Het turbulente leven van Janis Joplin kwam na Monterey in een stroomversnelling. Crosby, Stills, Nash & (later) Young vormden een superalliantie. Op het Woodstockfestival zouden in de zomer van 1969 alle krachten samenkomen. Film- en platenindustrie ontdekten het commerciële potentieel van de alternatieve gemeenschap.

In Nederland regeerde anno 1968 de tuttigheid van de 12-jarige Heintje en ‘Ich Bau’ Dir Ein Schloss’, dat zich tien weken lang comfortabel aan de top van de hitparade nestelde. Golden Earrings, de -s er nog aan, scoorden met het bijna net zo brave ‘Dong-Dong-Di-Ki-Di-Gi-Dong’. De underground roerde zich op Provadya-clubavonden waar bands als Dragonfly en Supersister een progressief geluid lieten horen. De Amsterdamse tak van Provadya ging in maart 1968 op in Paradiso, het „Cosmisch Ontspanningscentrum” waar het publiek in slaapzakken op de grond bivakkeerde. Folkrockband CCC Inc. stichtte een commune in de Brabantse Peel en speelde op de tweede editie van het indoorfestival Flight To Lowlands Paradise in de Utrechtse Jaarbeurs. De revolutie in de Nederlandse popmuziek bleef klein en exclusief, onder het wakend oog van Heintje, die uit alle radiospeakers klonk.