Column

Een wereldorde onder de ‘Beijing-consensus’

Lange tijd was het een no-brainer: als je wil dat de huidige, vreedzame, economische wereldorde in stand blijft, dan moet je opkomende landen een grotere stem geven in de organisaties die deze wereldorde borgen. En dus is er al lang een strijd aan de gang om een land als China, de toekomstige supermacht, meer stemmacht te geven in het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank. Kishore Mahbubani, de Singaporees die de opkomst van Azië al lang van te voren zag aankomen, zei het zaterdag nog in deze krant. „Het Westen moet de macht leren delen met andere landen.”

Dat standpunt is hier lange tijd onderschreven. En nog vorige maand was er een nieuwe doorbraak. De Amerikaanse regering stemde in met een kapitaalverhoging bij de twee belangrijkste Wereldbank-organisaties van in totaal 13 miljard dollar. Het stemgewicht van China wordt, in een moeite door, verhoogd van 4,68 procent naar 6,01 procent. Eerder waren er ook bij het IMF al verschillende kapitaalsverhogingen, met stemrechtveranderingen, die China naar 6,09 procent stuwden. En het gaat door.

Pikant is ook dat Christine Lagarde, de directeur van het IMF, er vorig jaar op wees dat de regels van het IMF voorschrijven dat het is gevestigd in de grootste economie onder haar deelnemers. Dat was, zonder enige twijfel, altijd de Verenigde Staten. Dat zal hoogstwaarschijnlijk veranderen. „Misschien,” zei Lagarde tegen Financial Times, „hebben we dit gesprek over tien jaar niet hier in Washington, maar in ons hoofdkantoor in Beijing.”

Of dat er van gaat komen? De VS houden, ondanks alle stemwijzigingen, het eigen aandeel in IMF en Wereldbank comfortabel boven de 15 procent, waarmee een blokkerende stem kan worden uitgeoefend. En, een nog fundamenteler vraag, is het echt wenselijk dat China de grootste wordt?

Dat hangt er van af. De werkhypothese is lang geweest dat China zich langzaam zou bekeren tot het vrije, liberale kapitalisme dat de huidige wereldorde onder de VS sinds de Tweede Wereldoorlog kenmerkte. Deze ‘Washington-consensus’ is niet waardenvrij. IMF en Wereldbank zijn, in het nastreven van dit wereldbeeld, in wezen normatieve organisaties. Vrijhandel boven alles, geleidelijk aangevuld met gelijkheid tussen man en vrouw, behoorlijk bestuur, anti-corruptie.

IMF tussen wal en schip: irrelevant zonder China, onherkenbaar mét

Twee grote ontwikkelingen trekken dit nu in twijfel. De eerste is dat de VS, onder president Trump, afstand lijken te nemen van de na-oorlogse wereldorde die zij zelf hebben gebouwd en gekoesterd. De tweede is, en dat kan niet genoeg worden onderstreept, dat in China Xi Jinping nu is benoemd voor het leven. Daarmee heeft het land ontegenzeggelijk duidelijk gemaakt een radicaal andere weg in te slaan dan de gehoopte gang naar het democratisch kapitalisme.

Bestaat er een ‘Beijing-consensus’? Officieel niet. Maar pogingen om hem te beschrijven duiden over het algemeen op een doctrine die niet normatief is, niet oordelend, en zich niet bemoeit met hoe elk land zichzelf inricht. Een IMF of Wereldbank onder deze vlag zou puur functioneel zijn. Respectievelijk: het in de gaten houden van betalingsbalansproblemen bij aangesloten landen, en het financieren van noodsituaties die daar uit voortvloeien. En het verstrekken van leningen met lage rentes aan armere landen die geen normale toegang hebben tot de kapitaalmarkt. Punt.

Gaat het daar naar toe? Dat hangt er mede van af of de opkomende landen daadwerkelijk de stem wordt gegund die hen op basis van hun gewicht toekomt. Als niet: dan zijn het IMF en Wereldbank als internationale organisaties op termijn ten dode opgeschreven. Als wel: dan veranderen zij in organisaties die in de verste verte niet meer lijken op wat we gewend waren.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.