Zonder ’68 waren we een versteend land

Nederland veranderde in de jaren zestig ingrijpend, zelfs ingrijpender dan Frankrijk. Maar de vraag is wie daarvoor verantwoordelijk was.

1968, gezin op de boulevard van Scheveningen. Het kabinet van Piet de Jong regeerde Nederland, destijds een sociaal-conservatieve natie. Dat kantelde in de jaren zestig. Foto Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad

Het jaar 1968 zelf had in Nederland weinig om het lijf. Hier geen bezettingen van universiteiten of brandende barricades, zoals in Frankrijk. Geen geweld bij demonstraties tegen regeringspartijen, zoals in de Verenigde Staten of Mexico. Geen manhaftige pogingen om het communisme te hervormen tot ‘socialisme met een menselijk gezicht’, zoals in Tsjechoslowakije. Geen academici die met gevaar voor eigen leven ijveren voor liberalisering, zoals in Sovjet-Rusland en Joegoslavië. En ook geen embryonaal links terrorisme, zoals in Duitsland.

Nee, in Nederland regeerde rustig het kabinet-De Jong. Zijn centrum-rechtse coalitie van KVP, ARP, CHU en VVD dacht de boel met ‘plooien en schikken’ bij elkaar te houden. Door de acties van Provo tegen het ‘klootjesvolk’ had Nederland enkele ’68-fenomenen twee jaar eerder immers al meegemaakt: in 1966 met de rookbom bij het huwelijk van Beatrix en Claus en later het bouwvakkersoproer in Amsterdam. De studentenrevolte zou nog een jaar op zich laten wachten: pas in 1969 werden de Hogeschool van Tilburg en de Universiteit van Amsterdam bezet en de eerste omgedoopt in Karl Marx Universiteit. Ook door Marx liet ex-duikbootkapitein Piet de Jong zich niet op stang jagen.

Vijftig jaar geleden trokken jeugdige babyboomers vol idealen ten strijde tegen het oude establishment. Wat is er over van hun idealen? Hoe vormden zij de kunst en cultuur? En waarom zit het revolutionair elan anno 2018 vooral op rechts? Deze maand besteedt NRC aandacht aan revolutiejaar 1968.

Lees de verhalen via nrc.nl/1968.

Toch zijn de jaren zestig een halve eeuw later in Nederland onderwerp van (idealistische) clichés over flowerpower, jeugdige overmoed, protesterende studenten en vooral veel doorgetripte democratiseringsgekkigheid. Een paar verhalen over de ‘geest van ’68’ is in de loop der decennia steeds hardnekkiger geworden: ten eerste dat de culturele revolutie van toen nergens toe diende en ten tweede dat ze eerst en vooral een zaak van links was.

Het was VVD-leider Frits Bolkestein (1933) die deze laatste conclusies nadrukkelijk opperde. „Er ontstond een lompenintelligentsia: mensen die hun referentiepunten hadden verloren en compensatie zochten in een naïef en verlossend engagement op basis van een versimpeld marxisme en het allegaartje van de media”, schreef hij in 2006. Vijf jaar later concludeerde hij dat „de hedonistische kant van de beweging van Nieuw Links [...] uiteindelijk niet meer betekende dan snelle seks, escapistisch drugsgebruik en treurig machismo”.

Om te beginnen met het eerste oordeel over de jaren zestig. Geen misverstand: ook over Nederland werd de ‘geest van ’68’ vaardig. Nederland veranderde in de jaren zestig zelfs ingrijpend, ingrijpender dan het iconische Frankrijk. Maar de vraag is waarom dat kennelijk onafwendbaar gebeurde en wie daarvoor verantwoordelijk was.

Verzuiling

De wending zelf was namelijk onvermijdelijk. Nederland kwam van ver, van heel ver. Tot de jaren zestig hield de verzuiling de Nederlanders op religieuze grondslag gescheiden. Hoewel die identiteitspolitiek – „twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen” – na 1945 was afgezwakt, smoorde ze de sociaal-culturele dynamiek nog steeds te veel en daarmee een levendiger ondernemingsklimaat. In Nederland werd het menselijke kapitaal daarom niet optimaal te gelde gemaakt.

Die achterlijkheid uitte zich scherp in de verhouding tussen man en vrouw. Met ‘mejuffrouw’ Marga Klompé hadden we in 1956 weliswaar onze eerste vrouwelijke minister – Duitsland kreeg de zijne pas in 1961, Frankrijk had die voor de oorlog al – maar desondanks hadden vrouwen hier weinig rechten. Slechts 22 procent had in 1960 betaald werk. In de Verenigde Staten was dat 30 procent. Ook juridisch had de vrouw minder benen om op te staan dan de man.

Mannen op hun beurt werden eveneens onderbenut. Hun arbeidsproductiviteit liep achter, omdat de ‘geleide loonpolitiek’ de arbeidskosten zo laag hield dat er te weinig prikkels waren om te innoveren en te automatiseren.

Datzelfde gold voor het consumptiepatroon. Weliswaar werden de eerste zelfbedieningswinkels al eind jaren veertig geopend, de spullen in de supermarkten werden gereguleerd door de overheid. Zelfs de inhoud van brood was op 800 gram vastgelegd. Van sherry of camembert bij Albert Heijn was geen sprake. Een pizzeria in de straat was een fata morgana.

Jutland van Europa

Het onderwijs was niet bij de tijd. Het systeem was zo vastgeroest dat het niet de vaklui afleverde die nodig waren om in Nederland de slag te maken van een extensieve agro-industriële staat, waar boeren en arbeiders hiërarchisch in het gelid moesten staan, naar een intensieve diensteneconomie, die alleen kan floreren als de werknemers zelf mogen nadenken.

Kortom, Nederland was geen liberaal land, maar een sociaal-conservatieve natie. Als dat zo was gebleven, dan was Nederland in de latere woorden van VVD-minister Neelie Kroes „het Jutland van Europa” geworden: niet bij machte om aan te haken bij de buitenwereld. In de jaren zestig is dat onheil afgewend. Nederland werd liberaler en kreeg ruim vier decennia later ook de eerste liberale premier sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917-1919.

Hoe noodzakelijk de jaren zestig ook mochten zijn voor de sociaal-economische modernisering, op politiek gebied hoeft een negatief oordeel niet geheel achterwege blijven. Ook in Nederland heeft de geest van ’68 immers heel wat ondraaglijke vernieuwing of zelfs kwaadaardigheid aangeblazen. De Wet universitaire bestuurshervorming bijvoorbeeld – al hield die geen stand. Of denk aan de stalinistische sekte Kommunistische Eenheidsbeweging Nederland (KENml).

1958 en 1973

Maar wie het bij dit soort reflecties laat, gaat wel voorbij aan een cruciale paradox. Namelijk de paradox dat links in Nederland rond ’68 juist weinig invloed had. Op regeringsniveau waren het zelf zelfs de minst linkse jaren in de hele naoorlogse geschiedenis. In de vijftien jaar tussen 1958 en 1973 zat de PvdA slechts anderhalf jaar in het kabinet (Cals, 1965-66) en had zo nog minder regeertijd dan in de jaren tachtig, die werden gedomineerd door de centrum-rechtse kabinetten-Lubbers.

De jaartallen 1958 en 1973 zijn geen toeval. Ze markeren een kentering in het metabolisme van Nederland. Een jaar na 1958 werd in Slochteren aardgas opgespoord. „Wat een land, wat een land, waar dat allemaal maar kan. Twaalf miljoen oliebollen dansen in de pan”, zong cabaretier Wim Kan op oudejaarsavond van 1963 toen de gasvondst de huishoudens daadwerkelijk bereikte. In 1973 was dat feest voorbij. Nederland werd toen getroffen door de eerste oliecrisis. „Ons bestaan zal veranderen. Bepaalde vooruitzichten vallen weg. Zo bezien keert de wereld van vóór de oliecrisis niet meer terug”, zei premier Den Uyl in een tv-rede voor het ganse volk.

Precies in die tussenliggende vijftien jaar vernieuwde Nederland zich diepgaand.

Natuurlijk gebeurde dat niet van de ene op de andere dag. In de jaren vijftig, de ‘kraamkamer’ van de culturele revolutie een decennium later, waren reeds de nodige bakens verzet. Vrij snel na de Tweede Wereldoorlog werd al duidelijk dat de sociale voorzieningen niet meer konden worden overgelaten aan pastoor, dominee of burgerlijke weldoener. Ze moesten worden geprofessionaliseerd. Ook financieel was een vorm van collectivisering op staatsniveau geboden. Wat in 1957 begon met de AOW bereikte acht jaar later met de Bijstandswet en in 1966 met de WAO voorlopig een climax. Daarover bestond consensus. De ‘verzorgingsstaat’ was in den beginne weliswaar een rooms-rood idee, maar werd uitgevoerd en afgerond door centrum-rechts.

Bij het optuigen van die verzorgingsstaat was in de jaren vijftig echter één aspect grotendeels over het hoofd gezien: het individu en diens positieve rol als staatsburger, ondernemer of consument in de maatschappelijke vooruitgang.

Dat nu veranderde drastisch in de jaren zestig. Wie de wetgeving van 1957 tot 1973 de revue laat passeren, ziet een rode draad: de langzame maar gestage „dekolonisatie van de burger”, zoals journalist Henk Hofland, eind jaren zestig hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, het noemde.

Die ontvoogding voltrok zich op drie niveaus. Burgers werden onderling gelijkwaardiger. Tegelijkertijd lieten ze zich minder ‘betuttelen’ door autoriteiten, die door de ontzuiling hun zaken niet meer in het café tegenover de kerk konden regelen maar formeler moesten gaan opereren. De rijksoverheid op haar beurt schiep meer ruimte voor de ondernemende mens.

Lees ook het interview met kunstenaar Jacqueline de Jong. Ze woonde in Parijs toen de studentenopstanden uitbraken en ontwierp affiches voor de revolutie.

De emancipatie op het eerste niveau laat zich aldus samenvatten. In 1957 werd de gehuwde vrouw handelingsbekwaam. Met andere woorden: ze mocht een contract sluiten zonder haar man daarin te kennen. In 1962 werden loontrekkers en zelfstandigen in de kinderbijslag gelijk getrokken. In 1971 werden homo- en heteroseksuele ontucht gelijkgesteld, hetgeen een belangrijke decriminalisering van homo’s markeerde. In hetzelfde jaar verloor de getrouwde man zijn status als ‘hoofd der echtvereniging’ en werd tevens de ‘grote leugen’ over overspeligheid uit de echtscheidingswet geschrapt, zodat een huwelijk kon worden ontbonden als het ‘duurzaam ontwricht’ was. In 1972 ten slotte werd de belastingwet aangepast, zodat gehuwde vrouwen niet meer hoefden te betalen dan hun echtgenoten.

Dat de hogere machten zich allengs terugtrokken uit hun cultureel-bevoogdende rol laat zich eveneens in jaartallen illustreren. In 1963 verklaarde bisschop Rinie Bekkers van Den Bosch voor de tv dat het huwelijk niet alleen was bedoeld om kinderen te baren, maar ook een liefdesband kon zijn. In 1964 maakte de Wet op de kansspelen het mogelijk een gokje te wagen.

De burger mocht nu zelf (een beetje) bepalen waar die aan verslingerd raakte. In 1967 werd het omroepbestel op de schop gegooid, waardoor de TROS met de onideologische journalist Wibo van de Linde kon toetreden en Hilversum nooit meer zou zijn zoals het tot dan was, en werd ook zes dagen per week reclame op televisie getolereerd. In 1969 werd het verbod op het openlijk verkopen van condooms en andere voorbehoedsmiddelen opgeheven, zodat het idee van monseigneur Bekkers weer een stuk concreter werd. En in 1970 werd de opkomstplicht bij verkiezingen ongedaan gemaakt. Stemmen werd een individueel recht, geen collectieve plicht.

Modernisering

Dat het ondernemingsklimaat in de jaren zestig werd gemoderniseerd, klinkt ongerijmd maar is eveneens onloochenbaar. In 1962 zette Nederland met een nieuwe In- en uitvoerwet een grote stap richting vrijere internationale handel. In 1965 werd het Rijkswegenfonds opgericht, cruciaal voor autorijdend Nederland. En in 1971 kwam er een wet tot stand die de besloten vennootschap introduceerde, conditio sine qua non voor nieuwe bedrijvigheid.

In kanteljaar 1968, hoe saai ook vergeleken met de buren, manifesteerden deze drie niveaus zich allemaal tegelijkertijd. Het was het jaar van de btw, een belasting die recht deed aan het toenemende consumptiepeil van iedereen. Het jaar dat cremeren gelijk werd gesteld aan begraven. Het jaar waarin De Fabeltjeskrant op tv verscheen, een programma waarin kinderen werden getrakteerd op een verbeelding van de grotemensenwereld.

En het jaar waarin de Mammoetwet, na enkele experimentele jaren, definitief in werking trad. Op 21 augustus, de dag dat Sovjettroepen de Praagse Lente vermorzelden, ging voor het eerst een hele generatie niet naar de eerste klas van een hbs (hogere burgerschool) of vglo (voortgezet lager onderwijs) dan wel mulo (meer uitgebreid lager onderwijs) maar naar een brugklas.

Frankrijk schudde op zijn grondvesten in het revolutiejaar 1968. Maar niet alleen in Parijs gingen studenten de straat op. Ook elders was de wereld getuige van schokkende gebeurtenissen. Bekijk deze fotoserie.

Die alomvattende wet symboliseert de verandering van Nederland bij uitstek. Bij het Tweede Kamerdebat eerder had met name VVD-senator Haya van Someren stampei gemaakt over het feit dat het categorale gymnasium nu op het tweede plan zou komen. CPN-leider Marcus Bakker maakte furore met zijn wisecrack „kunnen arbeiders eindelijk naar het gymnasium, wordt het afgeschaft”. Maar hun bezwaren gingen voorbij aan de kern van deze onderwijswet.

Het oude bestel, dat dateerde uit de tijd van Thorbecke en een onbeweeglijke standen- en klassenmaatschappij diende, was te star om de postindustriële samenleving te kunnen bijbenen. Ook de school moest gaan bijdragen aan een dynamiek waarin niet afkomst maar talent en doorzettingsvermogen beslissend zouden zijn. „Sociale mobiliteit werd niet langer gezien als een risico, slechts bij uitzondering gedoogd, maar werd een recht dat iedereen toekomt”, zo vat historicus Piet de Rooy het samen in zijn Een geschiedenis van het onderwijs in Nederland.

In de meeste terugblikken staan precies deze vernieuwingen uit de jaren zestig in een ander daglicht dan ze verdienen. Zonder ’68 zou Nederland zowel cultureel als economisch zijn versteend tot een onbeweeglijke natie. Zonder ’68 zou Nederland niet in de vaart der volkeren zijn meegevoerd tot het „ontzettend gave land” van premier Rutte.

Lezersonderzoek

Hoe heeft de generatie van ’68 haar idealen doorgegeven aan de volgende generatie? NRC is benieuwd naar uw ervaringen. Stond u zelf op de barricaden en heeft u geprobeerd uw kinderen op te voeden in de geest van ’68? Heeft u studenten of andere jongeren kunnen inspireren met uw ervaringen? Of bent u juist kind van een babyboomer en besloot u het zelf allemaal anders te doen? Wij hopen dat u uw ervaringen met NRC wilt delen. Doe mee via nrc.nl/lezerspeiling.

    • Hubert Smeets