Column

Vuren

‘Ben jij zaterdag ook bij de begrafenis van X?” vroeg ik aan D.

„Ja”, zei hij, „maar ik heb er een andere begrafenis voor moeten afzeggen.”

Dat klonk maar al te bekend: ook ik had er onlangs twee op dezelfde dag en moest kiezen naar welke ik ging. Alsof je een balboekje maakt voor de dood. Een dalboekje.

Ik stond voor mijn klerenkast. Het jurkje dat ik doorgaans bij uitvaarten draag, is door het vele wassen vaal geworden, de bijpassende lakschoenen zitten onder de kiezelkrassen, de hak is inmiddels versleten. Terwijl ik twijfelde over een zwart broekpak waar ik alleen met veel verbeelding nog in paste, ging mijn telefoon. Mijn moeder hing blij aan de lijn en vroeg wat ik dit weekend ging doen en schrok dat ik alweer naar een begrafenis ging.

„Jeetje”, zei ze zacht. „Op jouw leeftijd had ik er nog maar drie achter de rug!” Bij mij is het elke maand wel raak. Tegenwoordig leven er veel meer ouderen dan jongeren maar de babyboomers vallen massaal om. Die liefdesgeneratie verdwijnt en maakt van haar nabestaanden de doodsgeneratie, die al veel te vroeg ervaren raakt in het schrijven van afscheidsspeeches, in de etiquette van de nazit. Vanwege enkele ernstig zieke vrienden heb ik het afgelopen jaar zelfs mijn vliegreizen met annuleringsverzekering geboekt, voor het geval dat. Ik zuchtte en zei tegen mijn moeder dat het niet leuk is om over meer begrafeniservaring te beschikken dan zij.

‘Tja”, zei mijn moeder, „voordeel is dan wel dat je straks bij mijn crematie over zo veel vakkennis van de dood beschikt dat het wel echt een topuitvaart gaat worden. Je kent alle goede adresjes, weet welke kist mooi afkleedt en zo.”

„Ik weet in ieder geval waar je de voordeligste boeketten haalt”, zei ik, waarop mijn moeder antwoordde dat ik dan maar een extra grote bos bloemen voor haar moest bestellen. Toen ik ophing, dacht ik: ik hoop dat de bloemen voor dat boeket nog niet zijn gezaaid. Dat hun zaadjes zelfs nog niet bestaan. Noch de zaadjes voor die zaadjes.

Terwijl ik een veel te warme zwarte coltrui over mijn hoofd trok, ging de telefoon weer. Een oud-studiegenootje in tranen: haar zusje (27) bleek een tumor in haar baarmoeder te hebben. Onderzoek zou nog moeten uitwijzen of er uitzaaiingen waren.

De rest van de dag heb ik maar opgegeven. Stil lag ik op de bank. De generatie boven mij stort in, dacht ik, maar nu zijn er ook al mensen die nog jonger zijn dan ik aan het verdwijnen.

Ik droomde die nacht dat ik tussen twee grote vuren stond, die me langzaam insloten. Ik wist precies hoe het vuur werd aangemaakt, op wat voor hout het het best brandde. Ik wist ook dat ik niets kon doen om het te blussen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.