Vanzelf vroeger vrij kan straks niet meer

Justitie Sinds 1986 kwamen gevangenen automatisch na tweederde van hun celstraf vrij. Dat was toen al controversieel.

Waarom komt een gedetineerde die twaalf jaar celstraf krijgt opgelegd, na acht jaar vrij?

Een straf moet worden uitgevoerd, die verplichting heeft de overheid naar slachtoffers en samenleving, vindt minister Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD). Hij wil daarom af van de huidige regeling waarbij gedetineerden voorwaardelijk vrijkomen na tweederde van hun gevangenisstraf. Het voornemen stond al in het regeerakkoord en dinsdag presenteerde hij hierover een wetsvoorstel.

In het kort: voorwaardelijke invrijheidstelling zal voortaan per gevangene individueel worden bekeken en de maximale duur ervan is twee jaar. Een gedetineerde met twaalf jaar celstraf zal straks dus minstens tien jaar zitten, áls hij zich goed gedraagt.

En daarmee is de voorwaardelijke invrijheidstelling straks geen recht meer, maar een gunst.

Precies zoals de regeling ooit was bedoeld, bij de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886. Ze was een gunst die de minister kon verlenen aan gedetineerden om ze te belonen voor goed gedrag en ter bereiding op terugkeer in de samenleving. Ruim de helft van de zwaargestraften kreeg in de jaren vijftig een voorwaardelijke invrijheidstelling na tweederde van hun straf. En in 1970 was dit zelfs opgelopen tot meer dan 90 procent, staat in een overzicht dat het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) hierover publiceerde.

In 1986 ging de Nederlandse politiek nóg een stap verder. Ze verving onder invloed van een progressief klimaat de voorwaardelijke invrijheidstelling door vervroegde invrijheidstelling, zónder voorwaarden. Resocialisering van de gedetineerde, was het idee, moest vooropstaan. De wetswijziging was destijds controversieel en internationaal uitzonderlijk. In de jaren negentig kreeg de samenleving weer meer aandacht kreeg voor repressie en vergelding. In 2008 werd de regel uiteindelijk ongedaan gemaakt.

Sindsdien nam de aandacht voor het slachtoffer in het strafrecht toe. De versterking van diens juridische positie hield gelijke tred met de roep om een sterkere beveiliging van de samenleving. Beide ontwikkelingen leidden tot het wetsvoorstel dat minister Dekker dinsdag naar buiten bracht. „Voor een veiliger samenleving en een groter rechtvaardigheidsgevoel”, aldus het persbericht.

En zo is vergelding als strafdoel steeds belangrijker geworden, ten koste van resocialisatie.

Grote vraag is hoe rechters, als uitvoerders van de wet, straks zullen omgaan met de nieuwe werkelijkheid. Zullen zij milder gaan straffen als gedetineerden straks eenderde van hun straf niet meer voorwaardelijk in vrijheid mogen doorbrengen?

„Dat zou kúnnen”, zegt Willem Korthals Altes, senior rechter in Amsterdam. „Maar de wet is de wet en wij hebben die toe te passen. Als de samenleving vergelding kennelijk belangrijker gaat vinden, dan moeten we daarnaar luisteren.”

„Ik zal er als rechter zéker rekening mee houden”, zegt de Amsterdamse senior rechter Martien Diemer. „Ik kijk, alleen voor mezelf sprekend, naar het nettogehalte van een straf: wat levert die op? Wat zijn de gevolgen voor de verdachte, zijn gezin, zijn baan? Dus als bruto netto wordt, dat maakt dat uit voor de strafmaat.”

En die is sinds de jaren tachtig al flink toegenomen, weten beide rechters. „Voor een moord legde je vroeger acht jaar op, nu het dubbele”, zegt Diemer. Onrust in de samenleving is daarvoor de voornaamste verklaring.

Een rechter heeft naar die onrust te luisteren, hij is er námens de samenleving, zegt Diemer. „Maar een rechter moet ook kritisch blijven. Want aan de hoogte van een straf, hoe hoog ook, raakt het publiek gewend. Maar aan de emotie die erbij hoort, raakt het publiek níét gewend. Dus stuwt emotie een straf áltijd verder naar boven.”