Opinie

    • Paul Scheffer

Herdenken in tijden van antisemitisme

Over een paar dagen drommen we weer in stilte bijeen op de Dam om de slachtoffers van de oorlog te herdenken. Waarschuwende woorden over vreemdelingenhaat zullen worden gesproken, het ‘nooit weer’ zal worden bezworen en de avondlucht boven het plein zal worden gevuld met treurige herinneringen en goede bedoelingen.

Maar over deze jaarlijkse herdenking valt steeds meer de schaduw van een hedendaags antisemitisme dat uit de Arabische wereld is gemigreerd. In landen als Frankrijk en Duitsland heerst inmiddels een grote verontrusting over het geweld tegen de Joodse gemeenschap. Het symbool van deze vijandigheid is de 85-jarige Mireille Knoll die door haar moslimburen werd vermoord. De opkomst van het ‘andere’ antisemitisme – zoals Angela Merkel het onlangs noemde – komt niet uit de lucht vallen. Al uit eerder onderzoek van het PEW Research Center in 2005 blijkt dat het antisemitisme in de islamitische wereld wijd is verbreid. Zo heeft 36 procent van de Indonesiërs, 44 procent van de Turken, 64 procent van de Pakistanen en 78 procent van de Marokkanen een ‘zeer ongunstig’ beeld van Joden.

Deze cijfers tonen een kenmerk van het hedendaags antisemitisme: zulke vooroordelen hebben weinig te maken met uitsluiting van moslims in onze samenleving. Zulke opvattingen komen immers veel voor in de islamitische herkomstlanden waar moslims hun stempel drukken op het openbare leven. De gedachte dat discriminatie van deze gelovigen in het land van aankomst bijdraagt tot een afkeer van Joden klopt simpelweg niet.

Dit antisemitisme is in onze contreien geen marginaal verschijnsel. Uit de vergelijkende studie van de socioloog Ruud Koopmans komt naar voren dat 7 procent van de christenen en 43 procent van de moslims in Frankrijk Joden wantrouwt, in België respectievelijk 7 en 56 procent, in Duitsland 10 en 28 procent en in Nederland gaat het om 8 procent van de christenen en 40 procent van alle moslims. Er zijn dus genoeg moslims met andere opvattingen – in ons land een duidelijke meerderheid –, maar dat vier op de tien volgens zijn onderzoek uit 2014 zulke ideeën koestert is veel.

Een ander kenmerk van deze vooroordelen is de samenhang tussen religieus fundamentalisme en antisemitisme. Dat geldt zowel voor christenen als voor moslims. Het grote verschil is dat het fundamentalisme in onze tijd veel vaker voorkomt onder moslims dan onder christenen. Deze geloofsstroming blijkt een voorname rol te spelen bij de vorming van vijandbeelden die een open samenleving onder druk zetten.

Het opkomende fundamentalisme en antisemitisme is uitvoerig gedocumenteerd. We kunnen niet zeggen dat we het niet wisten. Maar doen we er genoeg aan? Nee, want uitgerekend de Rotterdamse en Amsterdamse burgemeesters laten zich op een halfslachtige manier over het salafisme uit. Jozias van Aartsen zette zich onlangs af tegen „het continu hameren op het gevaar van het salafisme” en Ahmed Aboutaleb ging nog verder met de stelling dat alle moslims – inclusief hijzelf – „een beetje salafist” zijn.

Lees ook dit opiniestuk van schrijver Robert Vuijsje: Herdenking 4 mei is de nieuwe Zwarte Piet

Ik twijfel niet aan hun motieven – een uitgestoken hand –, maar deze toegeeflijke houding verzwakt de weerbaarheid tegenover religieuze dwingelandij, die hand in hand gaat met een vijandige houding tegenover Joden. Lees het rapport van de inlichtingendienst uit 2015 er nog maar eens op na: zelfs bij de stromingen binnen het salafisme die geweld afwijzen kan prediking leiden tot „het actief oproepen tot discriminatie en haat tegen andere groepen”, waarbij uitdrukkelijk wordt verwezen naar het antisemitisme.

De import van salafisme is dan ook een groot probleem: we kunnen er niet genoeg op hameren. Door de migratie wordt het buitenland steeds meer binnenland. Dat heeft gevolgen, want de belangrijkste bondgenoot in de Arabische wereld is Saoedi-Arabië, een onvervalste theocratie. De koude vrede die men in het Midden-Oosten probeert te verbreiden heeft een hoge prijs: terughoudendheid van de regering tegenover de verbreiding van het salafisme.

Gevraagd is juist diplomatieke druk op landen als Saoedi-Arabië om deze ondermijning van de verdraagzaamheid in ons eigen land tegen te gaan. Waarom krijgen haatpredikers eigenlijk een verblijfsvergunning? De lange arm van Riad moet worden afgehakt: voor die ambitie zouden de aanhangers van een middeleeuws strafrecht toch enig begrip moeten kunnen opbrengen.

De migratie van moslimfundamentalisme vormt een gevaar voor de Joodse minderheid, zoveel is inmiddels wel duidelijk. Omdat de gelatenheid tegenover deze dreiging blijft voortduren, verliezen de woorden die jaarlijks bij de dodenherdenking worden gesproken langzaamaan hun betekenis. Wanneer we de hedendaagse haat niet terugdringen, dan zal de stilte die om acht uur de Dam in bezit neemt, worden gevuld met wrokkige verwijten en onbeantwoorde vragen.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese Studies. Deze column verschijnt vanaf nu elke woensdag. Van 1990 tot 1997 was hij ook columnist voor NRC.
    • Paul Scheffer