Help

Anne Hermans is huisarts in Nieuw-Zeeland. Ze schrijft columns op basis van haar ervaringen.

‘We gaan nooit meer kamperen. Nooit meer!”, schreeuwt mijn partner, als hij zijn vingers brandt aan de pan macaroni, die zojuist van de brander viel. „Jij ook altijd met je fanatieke ideeën: we moeten dit, we …” Snel grijp ik onze oudste dochter bij de hand. „Kom, Daisy”, zeg ik niet erg overtuigend opgewekt. „Wij gaan even lekker naar het strand.”

Dit weekendje kamperen was bedoeld om ‘gezellig met zijn viertjes’ te ontstressen. De kinderen zijn de hele week ziek geweest, en ik ben al weken in de weer met de kinderbescherming over een mogelijke uithuisplaatsing van de kinderen van een aan speed verslaafde patiënte. In de auto hierheen mijmerde ik over glaasjes wijn voor de tent bij zonsondergang.

Maar het opzetten van de geleende tent leidt al bijna tot een scheiding. En vervolgens schreeuwde onze jongste dochter vannacht zo hard dat we – om de rest van de overvolle camping te ontzien – uren met haar in een draagzak op het strand liepen.

Vandaag is iedereen in mineur. Het regende de hele ochtend en bij de lunch waren we klaar om de hele zaak weer op te breken. Maar zo makkelijk konden we toch niet opgeven? „Laten we het nog één nacht proberen”, opperde ik. „Het slapen gaat vast beter vannacht. En vanmiddag zou het droog worden.”

Eenmaal op het strand aangekomen, gaat Daisy in het natte zand zitten, terwijl de jongste begint te krijsen in de draagzak. Een stukje verder zitten wat campinggasten. Geamuseerd kijken ze onze kant op. Ik moet hier weg, denk ik. En wandelen kalmeert elke baby. „Kijk, Daisy”, roep ik. „Daar zijn heel mooie schelpen.” Daisy prikt met een stok in het zand. „Ik wil daar niet heen. Ik wil hier tekenen.”

Ze begint een verhaal, dat ik door het gekrijs niet kan verstaan. „Sorry, liefie, ik kan je niet horen”, zeg ik. „Kom, we lopen een heel klein stukje. Als je zus stil is …” „Nee!” roept Daisy. „Ik wil niet lopen!”

Ik zeg haar dat ze niet moet schreeuwen, en ze krijgt een woedeaanval: „Het is jóúw fout!”, schreeuwt ze nu, zelfs boven het gehuil van haar zusje uit. „Jíj maakt me boos! I hate you, I hate you, I hate you.” Als ze vervolgens met haar stok tegen mijn benen begint te slaan, brandt mijn lontje door. Ik móét hier weg, weg van die starende blikken. „Als ik zeg dat je mee moet lopen, dan loop je mee”, sis ik en sleur Daisy achter me aan.

You hurt me, mum. You HURT me!” Terwijl ik blijf lopen, sluit ik mijn ogen een seconde. Ik vertel mezelf dat het mooie van dieptepunten is, dat het vanaf dan alleen nog maar beter kan worden. Dan open ik mijn ogen en kijk recht in het gezicht van mijn probleempatiënte van afgelopen week. „Hi, dokter Hermans”, glimlacht ze. „Do you need any help?

    • Anne Hermans