Grunberg: waarom ik een maand in het Stedelijk verblijf

Grunberg in het Stedelijk

Op verzoek van Arnon Grunberg stelt het Stedelijk Museum Amsterdam hem en zeventien kunstenaars het museum ter beschikking.

Arnon Grunberg midden tussen de migrantenkunstenaars in het Stedelijk, met wie hij in het Amsterdamse museum gaat werken. Hij gaat ook als suppoost en directiemedewerker aan de slag. Foto Olivier Middendorp

In de herfst van 2015 deed ik mee als performer in het kunstwerk This progress van Tino Sehgal in het Stedelijk Museum. Sehgal noemt zijn performances liever interventies, wat inderdaad een betere benaming is. Kunst in het algemeen is een interventie en performancekunst in het bijzonder.

Over mijn twee weken in het Stedelijk schreef ik een stuk in NRC. De reacties van de bezoekers, aan wie ik bepaalde vragen moest stellen, verbaasden me. Twee Israëlische meisjes verklaarden op zoek te zijn naar een echtgenoot, een oudere dame wilde weten of ik de performance kwam verstoren en toen ik antwoordde dat ik juist deel uitmaakte van de performance en dat van verstoren dus geen sprake kon zijn, leek ze me amper te geloven. Een andere mevrouw liet me nauwelijks aan het woord en overdonderde me met een tirade over de onbeleefdheid van de Nederlanders. Nu en dan barstte er ook iemand in een hartverscheurend snikken uit. Of dat veel met het kunstwerk van Sehgal te maken had en mijn performancekunst of die van mijn collega’s betwijfelde ik. Eerder leken sommige museumbezoekers een grondige behoefte te hebben om te huilen en zagen zij in Sehgals kunstwerk de mogelijkheid om dat in het openbaar zonder al te veel schaamte te kunnen doen.

Het was tijdens mijn leven als instrument in Sehgals kunstwerk dat het tot me doordrong dat het museum, die tempel voor seculiere en vermoedelijk ook religieuze burgers, vooral een plaats is waar hulp wordt gezocht en waar die hulp misschien ook wel wordt geboden.

Om dat proces, de kunstenaar als hulpverlener, verder te onderzoeken schreef ik een brief naar het Stedelijk waarin ik aanbod een maand lang als publieke intellectueel in het museum te wonen. Ik was bereid tot diverse vormen van hulpverlening waarbij ik de intimiteit niet zou schuwen en ik me er zeer van bewust was dat de hulpverlener zelf ook altijd hulp zocht. In een gesprek benadrukte ik nog eens dat men niet veel eerbied moest hebben voor de ‘publieke intellectueel’. De democratisering heeft van iedere burger een intellectueel gemaakt en de sociale media hebben van elke intellectueel een publieke intellectueel gemaakt. Hooguit kun je stellen dat de een wat publieker is dan de ander.

Het Stedelijk reageerde enthousiast, misschien wat minder enthousiast over mijn suggestie dat het museum ook maar een opvangcentrum voor verwarde en minder verwarde zielen was, maar ik begrijp dat de vrees dat kunst straks onder gezondheidszorg zal vallen reëel is.

Dat overnachten in het museum was alleen lastig, de veiligheid van de kunstwerken kon niet gewaarborgd worden als een schrijver tussen die kunstwerken lag te slapen. Nog afgezien van de vraag waar ik zou moeten douchen.

In een vervolggesprek met het Stedelijk werd gesuggereerd dat ik misschien met gevluchte kunstenaars in het Stedelijk wilde ‘wonen’. Had migratie niet mijn interesse? Reken maar, bovendien leek de maatschappij geobsedeerd door migratie, mijn interesse was de interesse van collega-publieke-intellectuelen.

In gesprekken met kunstenaars uit oorlogsgebieden bleek een aantal dingen. De gevluchte kunstenaar wil gewoon kunstenaar zijn en hij wil dat zijn kunst serieus wordt genomen. Zoals de Nederlandse schrijver als hij in het buitenland optreedt als schrijver wil worden gezien en niet als menselijk verlengstuk van een stukje Goudse kaas, zo wil de Syrische in Nederland verblijvende kunstenaar geen verlengstuk zijn van de oorlog aldaar, al heeft hij daar misschien iets over te zeggen. Aangezien de vragen – wat is het museum en voor wie is het museum? – ten grondslag lagen aan dit project, kwamen wij op het idee dat de kunstenaars en de schrijver in de ochtend verschillende taken in het museum zouden vervullen, suppoost, medewerker in de boekhandel, directiesecretaris, assistent van de restaurateur.

En in de middag zouden ze in een zaal aan hun eigen projecten werken. In die zaal, zo spraken wij af met het museum, is alles toegestaan mits de brandveiligheid gegarandeerd blijft, andere kunstwerken niet worden beschadigd of vernietigd en er niet al te veel rook aan te pas komt. Uiteraard zullen wij geen letsel toebrengen aan de bezoeker of aan elkaar.

Maar waarom migratie? Voor mij is de mens een ontsnappingskunstenaar. Waarom ontsnap je, hoe ontsnap je en waarheen ontsnap je, antwoord op die vragen vormt onze identiteit. Migratie is slechts een specifieke vorm van ontsnappingskunst.

En de kunstenaar en de schrijver beoefenen een paradoxale vorm van ontsnappingskunst. Zij zoeken waarheid, als ik dat wat grote woord mag gebruiken, proberen die te tonen en doen tegelijkertijd hun best eraan te ontsnappen.

Zelf vluchteling worden, zo wilde ik de maand in het Stedelijk eerst noemen. Maar het woord ‘vluchteling’ is, vermoedelijk terecht, uit ons vocabulaire geschrapt.

Nu houd ik het op: zelf Houdini worden.

Lees hier aflevering 1 van Grunberg in het Stedelijk: De suppoost is het belangrijkst
    • Arnon Grunberg