Jacqueline de Jong

Foto Frank Ruiter

‘We dachten in 1968: nu gaat de wereld beter worden’

Kunstenaar Jacqueline de Jong woonde in Parijs, toen in mei 1968 de studentenopstanden uitbraken. Ze ontwierp affiches voor de revolutie. „Het was bijna-oorlog en vrolijk tegelijk.”

Je kunt je nog altijd goed voorstellen hoe ze het deed: stoer en tegelijk flirterig de cour oversteken van haar huis, richting de twee agenten van de oproerpolitie die er de wacht hielden: bonjour, vervelen jullie je niet, tout le temps een beetje hier lopen te surveilleren? En dat die agenten, jonge jongens nog, dan bloosden en haar zonder problemen de straat op lieten gaan. Ja, ze had opgerolde doeken onder haar arm, maar ze vroegen haar niet die te laten zien. Ze was, wisten ze, une artiste.

Wat ze niet wisten: die opgerolde doeken waren affiches met opruiende teksten, die Jacqueline de Jong ging bezorgen aan de École des Beaux-Arts. Vandaar zouden ze worden gedistribueerd, dat wil zeggen: geplakt op muren en genageld aan bomen door de revolutionaire studenten van de UNEF, de Unité Nationale des Étudiants de France. De affiches had ze gedrukt op de pers in het atelier van de Argentijnse kunstenaar Antonio Berni, die er toch maar twee maanden per jaar was.

Vijftig jaar later, een zonnige middag in april. We zitten in haar huis in Amsterdam, op tafel ligt een uitnodiging van het Centre Pompidou in Parijs, waar de hele maand mei lezingen, debatten en tentoonstellingen worden georganiseerd over Mai 68. Jacqueline de Jong (79) is straks één van de sprekers, tegen een zestig meter lange achtergrond van spraakmakende affiches uit die tijd, waaronder die van haar, als een hedendaags Tapijt van Bayeux.

Ook ligt er een boek dat ze is gaan lezen als voorbereiding op het gesprek met ons, 1968, de grands soirs en petits matins van Ludivine Bantigny. „Daardoor realiseer ik me nu pas dat het allemaal is begonnen met de Situationisten. Maar in 1968 hoorde ik daar al niet meer bij, ze hadden me er allang uit geknikkerd. Er waren in die tijd voortdurend hoog oplopende ideologische meningsverschillen.”

Situationisten

Jacqueline de Jong – klein, elegant, levendig – is een Nederlandse kunstenaar die van 1960 tot 1971 in Parijs woonde. Ze heeft nog altijd een tweede huis in Frankrijk, maar nu op het platteland: haar schilderijen-serie Potato blues is geïnspireerd op de aardappelen die ze er uit de grond haalt. In haar Parijse jaren had ze een verhouding met Asger Jorn (1914-1973), de Deense kunstenaar die zowel betrokken was bij Cobra als bij de Situationisten: een internationale politiek-kunstzinnige stroming die met ontregelende happenings, pamfletten en strips een maatschappelijke revolutie wilde veroorzaken.

Asger Jorn en Jacqueline de Jong hadden elkaar ontmoet in 1959, hij woonde in Parijs, een jaar later ging zij er ook wonen. Hij was 46, zij 21. Ze had op het lyceum in Enschede geen eindexamen gedaan („Dat vond ik flauwekul”), waarop haar ouders haar in 1957 een jaar naar Parijs hadden gestuurd. Daarna, in 1958, was ze in Amsterdam gaan werken in het Stedelijk Museum. In die tijd begon ze te tekenen en te schilderen, „al had ik eigenlijk actrice willen worden, maar ik was niet toegelaten op de toneelschool”. In 1962, ze woonde sinds twee jaar in Parijs, publiceerde ze de eerste editie van The Situationist Times: een Engelstalig tijdschrift vol typografische experimenten waaraan behalve kunstenaars (Asger Jorn, Pierre Alechinsky, Gruppe SPUR, Armando, Theo Wolvecamp) ook architecten (Aldo van Eyck), componisten (Peter Schat) en schrijvers (Lodewijk de Boer, Boris Vian) bijdragen leverden. Tot 1967 verschenen er zes edities.

Toen werd het mei 1968.

Poster van Jacqueline de Jong uit mei 1968.
Foto galerie Dürst Britt & Mayhew, Den Haag.
Poster van Jacqueline de Jong uit mei 1968.
Foto galerie Dürst Britt & Mayhew, Den Haag.

Jacqueline de Jong: „Wat ik merkte… Ja, dat verwijt ik mezelf nu… Ik was natuurlijk bijna dertig, ik zat niet op de universiteit… Er waren signalen, dat ben ik nu aan het nalezen. Maar ik had die signalen niet opgepikt, ik zat niet meer in de groep waar het gebeurde.”

Hoe raakte ze dan toch betrokken bij de revolte? „Heel simpel eigenlijk. We zaten die eerste dag in een restaurant te eten en plotseling kwam er een meute studenten langs. Ik zei: wat zijn die nou aan het doen? Jorn en ik dachten: het zal wel iets te maken hebben met Israël en Palestina. Of met Vietnam. Dus we gingen gewoon weer naar huis. Pas de volgende ochtend begrepen we dat er ’s nachts een enorme toestand was geweest, dat er zelfs al mensen het land waren uitgezet.”

Jacqueline de Jong

Foto Frank Ruiter

Vanaf die tweede dag was ze erbij: „Ik wilde het meemaken.” Jorn niet, zegt ze, ze noemt hem consequent bij zijn achternaam. „Jorn wou er juist niet bij zijn. Zijn dochter ook niet, die vier jaar jonger was dan ik. Jorn ging de stad uit om te werken, hij zei tegen mij: let een beetje op haar, dat ze geen gekke dingen uithaalt. Hij vond dat hij in zijn leven genoeg had gedaan voor de revolutie.”

Ze ging naar Café La Palette, een kunstenaarscafé in Saint Germain des Prés. „Daar kwam ik mijn latere partner tegen, Hans Brinkman. Die had al van alles meegemaakt in de stad en in de metro. Er werd veel traangas gebruikt. Het werd ook echt onrustig, je zag allemaal mensen rennen. En het café sloot de luiken. Ik zei: wegwezen hier, ik blijf niet in een café zitten waar de luiken dichtgaan. Hij is met mij meegegaan en samen kwamen we toen middenin die hele toestand terecht. Op een gegeven moment kwam het veel te dichtbij, je kon zomaar in elkaar geslagen worden. Dus ik zei tegen hem: snel, tegen die deur aan duwen en naar binnen. Iedereen deed dat, het huis was al helemaal vol met mensen die allemaal hetzelfde gedaan hadden. Vervolgens kwamen er vijf of zes man oproerpolitie binnen die één jongen met lang haar zagen: Hans. Die hebben ze toen de straat op geknuppeld.” Hans Brinkman (1942) werd later galeriehouder in Amsterdam, waar hij onder meer werk verkocht van haar en Jorn.

Jacqueline de Jong realiseerde zich dat het een bijzonder moment in de geschiedenis was, dat ze kon meehelpen de wereld te veranderen. „Maar ik heb nooit, dat moet ik ook eerlijk zeggen, op een barricade gestaan om stenen te gooien. Dus zo revolutionair was ik nou ook weer niet. Maar ik dacht wel: wacht even, in het atelier staat een pers. En we hadden een rol krantenpapier. Dus ja, dat was fantastisch.” Vanaf dat moment is ze samen met anderen linoleumsnedes gaan maken op de pers in het atelier van Antonio Berni.

De sfeer, herinnert ze zich, was er één van een bijna-oorlogssituatie en euforie en vrolijkheid tegelijk. „Het was heel intens, alles was dicht, iedereen staakte, niemand had nog geld om ook maar een biertje te kunnen kopen. Hollanders die als ramptoeristen naar Parijs waren gekomen, zaten zonder benzine en sliepen in hun auto. Je gaat dan op een andere manier leven, je voelt je totaal vrijgevochten. Je was ook iedere nacht onderweg, logeerde overal. En er was de hele tijd het idee: nu gaat de wereld beter worden.”

Poster van Jacqueline de Jong uit mei 1968. Foto galerie Dürst Britt & Mayhew, Den Haag.

Toch, zegt ze, was het niet de meest enerverende maand van haar leven. „Nee, dat niet. Nee, echt niet. Ik heb wel heftiger dingen beleefd. Daarvoor duurde het ook te kort, denk ik. Na vier weken kwam de kater.”

Eigenlijk veranderde de euforische stemming al eerder, in elk geval een beetje. „Na een paar dagen kreeg je te horen welke teksten je mocht gebruiken voor je affiches. Dat vond ik erg kwalijk: propaganda was het laatste wat je wilde. Ik deed het ook niet, ik veranderde die teksten weer. Later gingen er ook nog kunstenaars kijken of je plaatjes wel deugden, absurd gewoon.” Met een malicieuze lach: „Eén van de kunstenaars die ons toen zaten te controleren is er straks ook bij in Centre Pompidou: Gérard Fromangier. Dus daar ga ik nog wel wat van zeggen, vijftig jaar na dato.”

Haar affiches uit die tijd zijn beroemd geworden, maar die van Asger Jorn ook. En hij was er niet bij. Hoe kan dat? „Na vier weken was er een galerie die zei: wij gaan kunstenaars vragen om affiches te maken. En die affiches zouden dan worden verkocht ten behoeve van de studenten. Het was nogal mosterd na de maaltijd natuurlijk, maar juist die affiches zijn wereldberoemd geworden. Jorn heeft er vier gemaakt, die overigens prachtig zijn. En die affiches zijn wel gesigneerd, want daar ging het hun toen om. Die van ons waren anoniem: het was veel te link om er je naam op te zetten.”

Een beetje revolutionair

Tussen haar en Jorn kwam het niet meer echt goed. „Ik vond het ongelooflijk: je hele leven lang een beetje revolutionair zijn, dan gebeurt het eindelijk en dan… Hij was te oud, natuurlijk. Dat kan ik me achteraf wel voorstellen, maar toen niet. Het was geen breuk, maar… Ik voelde me daarna totaal vrij. Ik had zoiets van: ik ga nu mijn gang, ik ben een andere generatie en dat zul je weten ook.”

Drie jaar later was het wel afgelopen. Ze ging terug naar Nederland. „Ik kon niet blijven in het huis waar ik zat en een ander huis was te duur. Daar kwam bij dat ik geen nieuwe verlenging van vijf jaar kreeg voor mijn carte de séjour. Opeens moest ik om de drie maanden opdraven. Het kwam erop neer dat mijn verblijfsvergunning werd ingetrokken.”

Wat haar achteraf het meeste is bijgebleven: „De solidariteit, denk ik: die was heel belangrijk. En daarna de desillusie. Mei ’68 heeft veel veroorzaakt natuurlijk, maar dat gebeurde allemaal later. Op het moment zelf voel je dat effect nog niet. En verder vooral de vrolijkheid. Ja, mensen werden het land uitgezet. Of in elkaar geslagen. Of je kwam op het politiebureau terecht. Maar het was vooral vrolijk.”

Hoe heeft de ’68-generatie zijn idealen doorgegeven aan de volgende generatie? NRC is benieuwd naar uw ervaringen. Doe mee met het lezersonderzoek via nrc.nl/lezerspeiling.