opinie

    • Menno Tamminga

Op naar Den Haag, een dagje FNV-nostalgie?

Actie! Actie! Actie! U zult het wel horen of zien deze dinsdag op radio of tv. Het is de Dag van de Arbeid, vandaar. In Nederland is dat geen vrije dag, elders wel. Zelfs de VS vieren het als vrije dag, maar niet op 1 mei. Dat smaakte de Amerikanen in de negentiende eeuw te veel naar Europees socialisme en klassenstrijd. Hun Labor Day is de eerste maandag van september.

In Nederland heeft de FNV een paar jaar geleden 1 mei hersteld als een dag voor een manifestatie. Voor meer zichtbaarheid. En.. er mag gestaakt worden.

De FNV houdt deze dinsdag een klassieke mars door Den Haag die in het teken staat van haar zogeheten offensief: politici en burgers ervan overtuigen dat de arbeidsmarkt in een daglonerseconomie verandert. Dat reparatie van ongezonde flexibele arbeidsrelaties dringend nodig is. Dat Nederland een lagelonenland aan het worden is als je kijkt naar de langdurig gunstige winstontwikkeling in het bedrijfsleven en de stijgende dividenden voor beleggers, zoals cao-coördinator Zakaria Boufangacha van FNV dat vorige week in Het Financieele Dagblad noemde.

Den Haag is een gewaagde, nostalgische, maar ook politiek incorrecte locatie voor een mars. Gewaagd vanwege de vergelijking met de lerarendemonstratie PO in actie vorig jaar. Daar kwamen 50.000 à 60.000 mensen. Zoveel haalt de FNV niet, afgaand op eerdere edities van 1 mei.

De nostalgie is de geslaagde campagne drie jaar geleden van de gezamenlijke politiebonden die met een groot deel van hun achterban in Den Haag ministeries omsingelden. Ze sleepten er hogere lonen uit dan voor de andere rijksambtenaren. Han Busker, toen voorzitter van de politiebond NPB, heeft er z’n voorzitterschap van de FNV aan te danken.

Het politiek incorrecte karakter van een Haagse demonstratie is dat een spraakmakend deel van het FNV-kader juist niks ziet in ‘Haags’ overleg en ‘Haagse’ sociale akkoorden. Dat zijn in hun ogen de laatste jaren vooral compromissen die verslechteringen brachten.

Een vergelijkbare tendens zie je overigens binnen het CNV. Die bond heeft weliswaar een gematigder houding en imago dan de FNV, maar de frustratie over de houding van werkgeversorganisatie VNO-NCW en van het beleid van het kabinet Rutte III is daar zeker zo hoog gestegen. De buitenwereld merkt daar wat minder van. Dat heeft te maken met de meer ingetogen stijl van het CNV én met het feit dat het CNV betere politieke contacten heeft. Het CNV heeft nog relaties met coalitiepartijen CDA en Christenunie, de FNV zit in wezen met bondgenoten PvdA en SP in Den Haag in de oppositie.

Ruim anderhalf jaar geleden boden FNV, CNV en vakbond VCP voor professionals een brandbrief aan bij de Sociaal-Economische Raad, waar zij zelf inzitten. Daarin stond een waslijst aan structurele misstanden op de arbeidsmarkt. Het resultaat van hun lobby was gering. Tot hun afgrijzen zien de bonden dat werkgeverslobby’s (dividendbelasting weg, winstbelasting lager) wel succes sorteren. Ze zien dat bijna de helft van de werkende jongeren (tot 25 jaar) die niet naar school gaan nu een flexibel contract heeft (in 2003 was 27 procent). Dat de flexibele contracten nu ook groeien bij werknemers in de leeftijdscategorie 25-45 jaar. Dat arbeidsgehandicapten straks onder het minimumloon werken.

Nederland beleeft een economische piek, maar onder die vrolijke cijfers zitten die al langer groeiende tegenstellingen. In de jaren zeventig (van de vorige eeuw) zorgde dat voor polarisatie. Daarvóór heette het klassenstrijd. En nu? Het is nog zoeken naar het nieuwe woord voor de nieuwe confrontaties.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.
    • Menno Tamminga