Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Lievelingszus

We belden aan, daarna nog een paar keer. De buurvrouw van mijn moeder keek door haar raam en zakte daarna terug in haar stoel. Ze had in de krant moeten lezen dat mijn moeder haar bril kwijt was. Die bril was inmiddels gevonden.

Ik belde op. Mijn moeder zei dat ze in bed lag en dat ze moeilijk kon telefoneren. Ze was tegelijkertijd haar ochtendjas aan het aantrekken omdat er aangebeld werd.

„Het is een gek. Hij blijft maar aanbellen. Ik bel straks terug.” Ze verbrak de verbinding.

Ik belde nog een keer aan, dat had niet gehoeven.

Daar was ze, we zagen haar door het matglas haar rode ochtendjas dichtknopen. De oudste (2) kroop meteen in het been dat geopereerd moet worden.

„Kangoeroe”, zei ze. Mijn moeder verstond ‘kankerhoer’.

Het tafeldekken duurde een half uur.

Net als mijn kinderen liet mijn moeder alles zien. Dan hield ze bijvoorbeeld een half brood omhoog en zei: „Kijk, ik heb nog genoeg brood.”

Ze had ook een pot berenpasta, een leverworst en een nieuw stuk kaas. Na de lunch zei ze dat we het afval moesten scheiden.

„Dat hoefde vroeger niet, papa was de biobak.”

Zo herinnerde ik me mijn vader ook. Als we vroeger iets niet lustten moesten we het op zijn bord leggen. Hij zei daar nooit wat van, behalve als ze een keer vies gekookt had en er niets meer bij kon op zijn bord.

Dan zei hij: „Stop eens jongens, anders knap ik.”

Mijn moeder toen: „Als jij ontploft ruim ik het niet op.”

De oudste kroop haar grommend achterna terwijl ze de kaas in de koelkast zette.

„Ze doet het koekjesmonster na”, zei ik. „Geen kangoeroe.”

Mijn moeder: „Wil je een druif?” Ze kreeg een hele tros, ze smeerde de druiven een voor een uit op de parketvloer.

Vlak voor het weggaan hield mijn moeder een tafelkleed voor mijn neus, wit met honden erop. Ze vroeg of ik wist wie die hond was. Ik had geen idee. „Dat was Pasja, de laatste hond van tante Ied, die heb je zo vaak geaaid.”

Tante Ied was haar lievelingszus, die alweer vijftien jaar geleden was overleden. Aan het eind van haar leven liet die overal afbeeldingen van haar toen ook al lang overleden lievelingshond op drukken, zodat het beest er toch ook een beetje bij was in het verzorgingstehuis. Wij kregen het tafelkleed met Pasja-motief, mijn zus had al een koekjestrommel met die hond erop.

Thuis legden we het tafelkleed over de keukentafel, opdat we nooit zouden vergeten dat tante Ied van honden hield. En mijn vader at altijd zijn bord leeg, dacht ik erachteraan. Dat is dan wat er uiteindelijk beklijft, een geruststellend idee.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen