Lieuwe Westra, Nederlands voormalig wielrenner.

Foto Roger Cremers

Cortisonen brachten euforie, daarna kwam de depressie

Oud-wielrenner Lieuwe Westra (35) veinsde blessures om met cortisonen wedstrijden te kunnen winnen. ‘Het Beest’ zit nu depressief thuis. „Ik ben alles al kwijt.”

Hij zegt dat het goed met hem gaat, al heeft hij nog slechte dagen. Laatst ging hij kijken bij de Amstel Gold Race, dat combineerde hij met een vrijgezellenfeest van een vriend. Zat hij in Maastricht te ontbijten, parkeerde uitgerekend de bus van Astana, zijn oude werkgever, pal voor zijn neus. De dag erna lag hij gebroken op bed. Kapot van alle indrukken, teruggeworpen in de ziekte die de wielersport in hem aanwakkerde.

Hij heeft een buikje gekregen. Komt door de medicijnen, zegt hij. Dat is nou juist de pest. Als hij die slikt komt hij aan, als hij stopt wordt hij „hartstikke gek” – wat dat precies inhoudt kan hij amper omschrijven. „Dan heb ik nergens meer zin in”. Topsporter kon hij zo niet blijven.

Aan de kop van de stamtafel ligt een opengeslagen agenda vol afspraken – interviews, televisieoptredens, gesprekken met zijn advocaat, met wie hij nog een lange weg te gaan heeft. Hij is al maanden verwikkeld in een proces tegen zijn voormalig zaakwaarnemer, die een percentage van zijn laatst verdiende salaris claimt op basis van een al dan niet gesloten overeenkomst. Daarover moet een rechter zich buigen. De zaak heeft hem al „twee ton” gekost. En het einde is nog niet in zicht. Maar hij wil van geen wijken weten. „Ik ben alles al kwijt. Ik zoek geen wraak, wel gerechtigheid.”

In het midden van de eettafel ligt zijn biografie; vier exemplaren van Het Beest, dat dinsdagavond wordt gepresenteerd. De titel is een metafoor voor de manier waarop hij leefde, trainde en koerste, maar ook voor de ziekte in zijn kop.

De vensterbank ligt bezaaid met meisjesspeelgoed. Zijn broer woont na een scheiding met twee kinderen bij hem in. Druk, want ze schreeuwen zo veel. Door die twee is hij gaan twijfelen of hij zelf ooit kinderen wil. Voor nu is het leuk, is hij tenminste niet alleen. Bovendien kan hij wat terugdoen. In zijn zwartste periode, toen hij in een klein appartementje in Monaco alleen maar in bed lag en de dagen doorkwam met bier, was het Jan-Hendrik die hem uit de put trok. Zijn broer is zijn alter ego: gedisciplineerd, kalm, kleurt altijd binnen de lijntjes.

Feesten, werken, wielrennen

Hij vat zijn leven als volgt samen: feesten, werken, wielrennen. Meer kan hij niet. Pa werkte bij het waterschap, ma deed het huishouden. School heeft hem nooit geboeid. Hij kon niet leren, daarom deed hij het ook niet. Na de basisschool deed hij „de mavo min één”, zegt hij. „Ik weet niet meer hoe je dat niveau noemde.” Als specialisatie koos hij motorvoertuigen.

In zijn vroege tienerjaren kon hij aardig schaatsen, maar nog beter kon hij hard fietsen door de Friese landerijen. Rond zijn veertiende was hij een van de besten in Nederland. Tijdrijden werd zijn specialisme: stampen tot hij erbij neerviel. Zo trainde hij ook, bijna altijd alleen, soms achter de scooter van zijn vader, richting Afsluitdijk en weer terug, 160 kilometer. Niks geen tempoblokken, nee, uren maken. Zelfkastijding. Op de regionale televisie zei hij: ik ga profwielrenner worden.

Toch koos hij op zijn zestiende „voor die andere kant”, schoon genoeg had hij ervan om steeds af te taaien als zijn kameraden de stad in gingen. Vijf jaar lang ging hij uit zijn plaat, „lekker ouwehoeren met de mannen”, in zijn woorden. „Dat feestleventje was altijd gezellig.”

Xtc, coke en speed

Hij vond een baan als stratenmaker. Zijn salaris ging op aan blowen, drinken, en later ook aan xtc, coke en speed, of een mix daarvan. Hij genoot van zijn „gabbertijd”, heerlijk vond hij het om stijf van de drugs naar hardcorefeesten te gaan – nog altijd traint hij met die beukmuziek in zijn oren.

Regelmatig maakte hij Mûnein, gemeente Tytsjerksteradiel, onveilig door bezopen achter het stuur te kruipen. Zijn ouders hadden niks door, of wilden dat niet door hebben. Over lastige onderwerpen werd thuis niet gesproken. „Spijt heb ik er absoluut niet van, ik heb een mooie tijd gehad. Denk wel dat mijn ouders het zwaar hadden. Die zagen hun zoon zijn wielercarrière weggooien.”

Vijf jaar later en dertig kilo zwaarder was het van de ene op de andere dag over. Het gabberbestaan begon te vervelen. „Ik heb een doel nodig. Het is zwart of wit, geen grijs gebied.” In Het Beest staat hoe hij tijdens de verjaardag van zijn moeder in beschonken toestand vol branie verkondigde dat hij zo weer hard kon fietsen. Er volgde hoongelach. Nog die avond hervatte hij zijn training.

220 euro per maand

Binnen een half jaar reed hij amateurwedstrijden, na een jaar won hij een criterium. Hij werd binnengehaald door het bescheiden Krolstone, een team waar hij 220 euro per maand verdiende – een overwinning op zichzelf. De vraag was nu: hoe ver kon hij reiken?

Twee jaar lang bleef hij ernaast ‘straten’. Zo kwam het voor dat hij op woensdag een koers van 200 kilometer moest rijden tussen profs die „trainden en daarna op de bank lagen”, waarna hij op donderdagochtend om half zes weer naast zijn bed stond om op tijd „op mijn knietjes” aan het werk te gaan.

In 2008 hield hij dat ritme niet meer vol: wilde hij prof worden, dan moest hij stoppen met werken. Zijn familie was daar niet blij mee, want zo gooide hij opnieuw zijn leven weg. Maar Precies rond die tijd richtte ene Daan Luijkx een Nederlands wielerteam op onder de naam Vacansoleil en met „een beetje geluk” kreeg hij een contract aangeboden. Vanaf 2009 werd hij wielerprof. Hij won zijn eerste profkoers, de Arno Wallaard Memorial, door zijn medevluchter voor 1.000 euro om te kopen. „Zonder overwinning kom je niet verder in deze sport.”

Die zomer maakte hij zich op voor zijn eerste grote ronde, de Vuelta, toen zijn vader een hartstilstand kreeg en voor zijn ogen dood neerviel. In de drie weken die volgden reed hij op verdriet naar Madrid. Pa zou dat zo gewild hebben. Nu, jaren later, concludeert hij dat hij geen idee heeft of dat wel klopt. „Mijn vader heb ik eigenlijk helemaal niet gekend. Later hoorde ik dat hij ook flink kon zuipen. Als dat klopt, heb ik dat in elk geval van hem.”

Allerhande herstelmiddelen

Bij Vacansoleil injecteerde hij zich met allerhande herstelmiddelen, beschrijft hij in Het Beest. Doodnormaal was dat. Voor 2011 gold in het peloton nog geen no-needle policy – teamdoktoren schreven een mix van vitaminen, ijzer en mineralen voor en na een paar keer voordoen konden renners zelf voortaan een spuit zetten. In het post-epo-tijdperk was dat tot 2011 allemaal nog toegestaan.

Maar het bleef niet bij herstelinjecties. In aanloop naar belangrijke koersen vroeg hij bij de dokter van Vacansoleil om cortisonen, ontstekingsremmers. Die stonden op de dopinglijst, maar middels een medisch attest kon hij het geneesmiddel toch krijgen. Hij veinsde geregeld een knieblessure om „met een euforisch gevoel in je donder” en „met verdoofde benen” te koersen. Hij won er wedstrijden mee. „In mijn wereld hoorde dat erbij, het betekende professioneel met je sport bezig zijn. Ik zie het niet als doping. Ja, ik jokte. Maar goed, iedereen deed dat.”

Toen naalden in de wielersport werden verboden, zocht hij zijn toevlucht tot een bijnierschorshormoon, in pilvorm beschikbaar. In 2013 liep een Portugese renner voor dat medicijn een schorsing van twee jaar op. Hij moet lachen als hij dat hoort. „Sukkel”, zegt hij. „Dan is hij vergeten een attest te regelen.”

Al zijn overwinningen bij de profs heeft hij behaald met medische hulpmiddelen. Hij spreekt van een finalekoker in het achterzakje van zijn wielershirt. „Zonder heb ik nooit een koers gereden. Er zaten pillen met cafeïne in, pijnstillers, luchtwegverwijders. Die nam ik meestal rond 50 kilometer voor de finish. In 2009 mocht je nog pseudo-efedrine gebruiken. Dat was net als xtc. Toen ik de Ronde van Picardië won, stond het kippenvel op mijn armen, net als op een gabberfeest.”

Hij verkaste in 2014 naar Astana, verdiende tot zes ton per jaar. Hij kocht er een Porsche Cayenne en een vrijstaand huis in Friesland van. In 2014 speelde hij een grote rol in de Tourzege van Vincenzo Nibali, maar in het seizoen erop belandde hij op een zijspoor. Hij vereenzaamde in Monaco en op de achtergrond liep dat conflict met zaakwaarnemer André Boskamp, die nog altijd een percentage van zijn salaris eist. Een rechter deed een uitspraak in het voordeel van Boskamp. Eind dit jaar volgt een beroepszaak.

„Door Boskamp ben ik in een depressie beland”, zegt Lieuwe Westra resoluut. „De keuze om te stoppen met wielrennen is voor mij gemaakt. Ik wil alsnog gerechtigheid en ik ben ervan overtuigd dat ik ga winnen. Daarna vertrek ik naar Spanje. Ga ik fietsclinics geven of zo.”