Opinie

    • Frits Abrahams

Roerende lintjesregen

Een vriendin van ons kreeg een lintje. We hoorden het van haar dochter die ons uitnodigde voor de plechtigheid in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Meteen belden we enthousiast met de gelukkige gedecoreerde (decoranda heet dat officieel) om haar te feliciteren, maar dat bleek een onhandige manoeuvre. Ze wist het al wel, maar eigenlijk mocht dat niet, lachte ze, ze hoorde het pas in de kerk te vernemen.

Ach ja, dat was ook zo, maar hoe kwam het dan dat ze het al wist? Nou, ze had haar man aan de telefoon tegen iemand horen zeggen: „Nee, voor 26 april kan ik geen afspraak maken.” Ze had spontaan geroepen: „Hoezo niet? Waarom zou je die dag niet kunnen?” Toen had hij het maar bekend: je krijgt dan een lintje.

Ik vermoed dat het in meer huizen zo toegaat, want veel gedecoreerden in de Nieuwe Kerk zaten er goed voorbereid en op hun paasbest bij, alsof ze bij de koning op bezoek gingen – wat in zekere zin ook zo was. Toch waren er ook mensen die met een smoes waren meegelokt. Waarnemend burgemeester Jozias van Aartsen vertelde in zijn welkomstwoord dat een vrouw te horen had gekregen dat ze die dag getuige moest zijn bij een huwelijk.

Wie kregen er een lintje? Zoek het op in deze zoekmachine

Over de lintjesregen heb ik vroeger gemengde gevoelens gehad. Dat kwam ook doordat het tot halverwege de jaren negentig een nogal elitair gedoe was, waarbij vele jaren trouwe dienst bij een werkgever al voldoende was voor een lintje. Ook kon ik begrijpen dat mensen om andere redenen bedankten, zoals Remco Campert die in 2000 in een brief aan B. en W. van Amsterdam fijntjes liet weten: „De gedachten die ik koester aangaande de functie van de monarchie staan mij niet toe een koninklijke onderscheiding te aanvaarden.”

Sinds ik zelf twee lintjesregens heb mogen meemaken (als toeschouwer, moet ik er haastig aan toevoegen), denk ik er anders over. Het decoratiestelsel is zo gedemocratiseerd dat je op zo’n bijeenkomst tal van roerende verhalen hoort over (buiten)gewone mensen, die zich op een indrukwekkende manier voor de samenleving hebben ingezet. Als toehoorder kun je er zelfs een soort minderwaardigheidscomplex aan overhouden, want waarom heb jij zo weinig gedaan terwijl al die mensen zich in hun vrije tijd uit de naad werkten?

Ik geef enkele voorbeelden van mensen die in de Nieuwe Kerk werden gedecoreerd.

Mevrouw J.M Slager-Zandgrond nam de vier kinderen van de overleden pleegbroer van haar man in huis, hoewel ze zelf al zes kinderen had. Ze nam later ook nog een dakloze jongere met psychische problemen op, ze zorgde daarbij voor een zieke buurman en werkte als vrijwilliger in een verzorgingshuis. Mevrouw A.C de Ronde-Hermanns, woonachtig op de Wallen, voedde een kind van drugsverslaafde ouders op en ving thuis na school ook nog een zoon op van een alcoholistisch stel. En de vriendin van ons, mevrouw M.H. Jager-Lanooy, met wie ik deze column begon, herstelde van een levensbedreigende ziekte en wierp zich de jaren daarna op als steun en toeverlaat voor andere lijders aan die ziekte.

Wat is erop tegen dat zulke mensen eens per jaar in het zonnetje gezet worden? Het is alleen jammer dat niet al die mensen dezelfde onderscheiding krijgen en dat de aandacht van de media vooral uitgaat naar de bekenden onder hen, die al zoveel aandacht krijgen.

    • Frits Abrahams