Baku is een zegen voor de Formule 1

Formule 1 Het stratencircuit in Baku zorgde opnieuw voor een zeldzaam spectaculair verloop van een grand prix.

Lewis Hamilton, winnaar van de Grote Prijs van Azerbeidzjan, snelt in zijn Mercedes door de middeleeuwse straten van Baku. Foto Srdjan Suki/EPA

Brokstukken van auto’s die miljoenen kosten, dalen als zwarte confetti neer op het asfalt. Meteen ligt de race stil. Marshalls voeren met bezems een strijd tegen de sterke wind. En het is pas ronde één.

Voor het tweede jaar op rij werd de grand prix in Baku een viering van chaos: een vroege crash (Kimi Räikkönen en Esteban Ocon), een tweevoudig wereldkampioen (Fernando Alonso) die op twee wielen naar de monteurs zwabbert maar toch nog als zevende eindigt, een bejubelde rookie (Charles LeClerc) die ondanks zijn slechte auto zesde wordt, een Fransman die zichzelf op onmogelijke wijze in de muur rijdt (Romain Grosjean), de WK-leider (Sebastian Vettel) die door een kapotte band de race verliest, de man die profiteerde (Valtteri Bottas) vervolgens ook, én: twee Red Bull-coureurs (Max Verstappen en Daniel Ricciardo) die op elkaar rijden en het vertrouwen van het team beschamen.

Baku is de grand prix waar sinds vorig seizoen zelfs de gematigde Formule 1-liefhebber voor gaat zitten. Naar de achtergrond verdween toen het gesprek over het Azerbajdzjaanse regime, over het gebrek aan ethiek van de F1-bazen. Weg ook was de kritiek na de kleurloze eerste editie in 2016, de race waarin Nico Rosberg in zijn Mercedes eerste werd vanaf pole-position, terwijl er achter hem ook weinig spektakel was.

De nieuwe auto’s

Het circuit is nog hetzelfde. Snelle bochten door nauwe middeleeuwse straatjes, afgewisseld met een stuk ‘snelweg’ van twee kilometer waar de auto’s hun topsnelheden bereiken. Maar de auto’s veranderden, die werden breder en sneller. En het is alsof het circuit die auto’s opeens niet meer aankan. Dan is Baku ook nog de ‘City of Winds’, wat het racen soms tot een potje Russisch roulette maakt.

Pure stratencircuits zijn in de F1 een splijtzwam. De coureurs vinden ze een uitdaging. In Monaco, de bekendste, is de muur altijd dichtbij en moet je vier bochten vooruit denken. In Singapore is door de vele bochten het motorvermogen minder belangrijk en het speeldveld gelijker.

Voor kijkers zijn ze niet altijd even interessant. Monaco is de jaarlijkse optocht in de Formule 1. Een goede kwalificatie is er van levensbelang, want inhalen lukt bijna niet op wegen waar race-auto’s niet thuishoren. Lewis Hamilton, wiens naam zondag in Baku als winnaar uit de racegrabbelton kwam, mijmerde in 2016 over meer stratencircuits als Monaco. Het gevaar, dat technische rijden. Zo maken ze ze niet meer.

Hij is voorstander van meer grands prix in binnensteden, iets wat de Formule E, de elektrische klasse, al bijna uitsluitend doet. Voor luidruchtige, vervuilende F1-auto’s is dat lastiger. Liberty Media, sinds vorig jaar eigenaar van de F1, wil ook meer de steden in. Hanoi, de hoofdstad van Vietnam, is kanshebber om volgend jaar te worden toegevoegd. Net als Miami. Liberty wil naar ‘destination cities’, toeristische plekken.

Maar zie maar eens voorbij te gaan aan de pracht en praal van de locatie, zonder in te boeten aan race-entertainment. Want als kijksport valt er voor de F1 nog genoeg te winnen.

Baku is, net als Singapore, een voorbeeld van een geslaagde poging: én nauwe, gevaarlijke straten, én diverse mogelijkheden tot inhaalacties. In Baku wint dan misschien niet de beste, maar vooral de gelukkigste coureur. Totdat in 2021 de sport competitiever en eerlijker moet worden, is de Grote Prijs van Azerbajdzjan in ieder geval een zegen voor de sport.