De zoon van Prins Bernhard: voetnoot bij een openhartig interview

Hoeveel bewijs moet de krant hebben voor beweringen in een interview? Of komen die puur voor rekening van de spreker?

De vraag kwam onlangs bij een lezer op naar aanleiding van het bijzondere interview dat NRC had met Christopher Wylie, de klokkenluider van Cambridge Analytica. Die deed forse uitspraken, bijvoorbeeld over zijn rol in het beïnvloeden van verkiezingen.

Dat zijn beweringen die de krant niet zomaar kan verifiëren. Hoe zou dat ook kunnen, want dat heb je met klokkenluiders, die komen met informatie waar anderen niet goed bij kunnen.

De crux is dan: is het publieke belang van zijn verhaal groot genoeg om het zo te brengen? Bij Wylie, spil van het wereldwijde schandaal over Facebook en privacy, was dat zeker het geval.

Geldt dat ook als het publieke belang minder evident is? Zeg maar, bij een schrijver die zegt dat hij de zoon is van prins Bernhard?

NRC publiceerde in februari een interview van Coen Verbraak met schrijver Oscar van den Boogaard. In dat gesprek beweert hij de zoon te zijn van de prins, en dat te hebben verwerkt in zijn roman Kindsoldaat. Het werd door de krant rustig gebracht, er kwam geen bericht voorin de krant, om de zaak niet op te kloppen.

Maar is het waar, vroeg ik me in deze rubriek af. De krant had nog wel een aantal feitelijke vragen aan de RVD voorgelegd maar die kon – het laat zich raden – niks bevestigen. Ik schreef toen dat de krant mogelijk nog wel meer onderzoek had kunnen doen, naar familie of vrienden, en opperde dat er achteraf misschien nog zulk aanvullend bewijs zou komen.

Dat kwam er. Althans, ik kreeg een e-mail van een lezer die zei het relaas van Van den Boogaard te kunnen ondersteunen. Niet met officiële documenten, foto’s of andere spijkerharde bewijzen, maar met een intense herinnering waar hij tot dan toe over had gezwegen. Ik bracht hem in contact met interviewer Verbraak, voor een mogelijk vervolgstuk.

Maar de behoedzame e-mailer wilde zijn ervaring alleen delen met medeweten van de schrijver, met wie hij al in geen decennia contact had gehad. Bovendien, hij wilde de oprechtheid van het verhaal van de schrijver ondersteunen, maar vooral niet de indruk wekken uit te zijn op persoonlijke aandacht of publiciteit.

Een paar weken later stuurde Marcel Ruizendaal me alsnog het uitgeschreven relaas dat hij al eerder, onder voorbehoud, aan de telefoon had gedaan tegen mij en daarna tegen Verbraak. Omdat ik nu eenmaal om steunbewijs had gevraagd. Hij had inmiddels contact gehad met Oscar van den Boogaard en hem een lange brief geschreven. De schrijver was daar volgens hem blij mee en zag geen bezwaar tegen publicatie.

Het verhaal: de jonge Ruizendaal, later afgestudeerd in civiele techniek aan de TU Delft, raakte eind jaren zeventig bevriend met Van den Boogaard op de middelbare school in Deventer. Hij zat in de zesde, de latere schrijver in de vierde. De twee kregen een „meer dan goede vertrouwensband”.

In die tijd – het moet in of omstreeks 1980 zijn geweest, zegt hij – zocht hij Van den Boogaard eens thuis in Schalkhaar op, onaangekondigd. Wat hij zich herinnert: er stond iemand buiten voor het huis, op de oprit zag hij meerdere auto’s waarvan één niet bepaald alledaagse gezinsauto. Luxe en duur. „Ik vroeg me af, was dit wel het goede adres?” De gordijnen waren half dichtgetrokken.

Toen hij het tuinpad op liep, zag hij in de huiskamer „een oudere man” zitten. Nu denkt hij: dat leek de prins wel. „Maar kennelijk druk je waarnemingen die buiten de orde vallen vanzelf weg.” Toen gebeurde er volgens Ruizendaal dit: „Nog voor ik kon aanbellen stormde Oscar naar buiten, pakte me bij mijn arm en sleepte me de straat op. Hij zei: Het kan nu niet, je moet gaan, het spijt me, maar het komt nu echt niet uit.” Ruizendaal vertrok.

Niet veel later kwam het incident onder vier ogen ter sprake. „We hadden het over de scheiding van zijn ouders en zijn moeilijke thuissituatie. Oscar vertelde toen dat de man die bij hem thuis op bezoek was geweest, zijn echte vader was: prins Bernhard.” Dat was dus de reden dat Ruizendaal bij dat bezoek was weggestuurd. „Ik moest beloven er nooit met anderen over te praten.”

De bekentenis leidde tot een breuk tussen de twee. Want toen Van den Boogaard vroeg of hij hem wel geloofde, zei Ruizendaal na lang aarzelen: Nee, niet echt. „Ik kon het me gewoon niet voorstellen.” Het was het begin van een langdurige verwijdering. Nu zegt hij, met spijt: „Vlak daarna besefte ik al dat Oscar zoiets niet zou verzinnen. Hij was altijd eerlijk tegen me geweest.” Het incident bij het ouderlijk huis begon nu ook opeens te kloppen.

Tot zover Marcel Ruizendaal.

Oscar van den Boogaard bevestigt het verhaal. Zijn schoolvriend was, zegt hij, „de eerste en enige die ik het kon vertellen”. Hij zegt zich ook het incident op het tuinpad te herinneren, „met terugwerkende kracht, zoals dat gaat”. De prins kwam geregeld op bezoek, zegt hij, „duidelijk om iets dat er ooit geweest was”. Na de ophef over zijn boek had hij geen behoefte dit rond te bazuinen. Hij had ook geen contact meer met Ruizendaal – vandaar.

Maar ja, hier keert natuurlijk de vraag terug: klopt dít verhaal? Ik twijfel niet aan de oprechtheid van Ruizendaal, maar een scepticus zal zeggen: het laat alleen maar zien dat de schrijver toen al met zijn fantasie bezig was.

Tja, om Wittgenstein te parafraseren: de keten van verklaringen moet ergens een keer ophouden, behoudens dna-onderzoek. Nee, spijkerhard, sluitend, onweerlegbaar, keihard bewijs is dit niet – maar met het persoonlijke verhaal van Marcel Ruizendaal is er in elk geval een steentje in het gebouw bijgekomen.

Reacties: ombudsman@nrc.nl