Opinie

    • Michel Krielaars

Zonder schaduw ben je nergens

Michel Krielaars

Tijdens het lezen van de nieuwe vertaling van Adelbert von Chamisso’s Peter Schlemihls wundersame Geschichte (De wonderbaarlijke geschiedenis van Peter Schlemihl) kreeg ik steeds meer het gevoel in een boek van Martin Michael Driessen te zijn beland. Die fantastische sprookjesnovelle uit 1814 over een jonge man die zijn schaduw aan de duivel geeft in ruil voor een onuitputtelijke zak geld, had wat stijl en toon betreft zo uit diens pen kunnen vloeien.

Het is ook niet zo vreemd, want Driessen is de vertaler van dat meesterlijke boek. Sterker nog, hij heeft zelf bij uitgeverij Van Oorschot aangeklopt met het verzoek of hij het mocht vertalen. Beter dan dat kun je het niet wensen, ook omdat Driessen dankzij zijn Duitse moeder en zijn jarenlange ervaring als regisseur in Duitse theaters min of meer tweetalig is. Wanneer je ook nog eens beseft dat zijn eigen romans en verhalen vergelijkbare tragikomische en absurdistische elementen bevatten als De wonderbaarlijke geschiedenis van Peter Schlemihl, dan kan het haast niet anders dat hier sprake is van een literaire mimicri en een Seelenverwandtschaft. Alsof de twee schrijvers in elkaar zijn opgegaan en samen een nieuw werk hebben geschapen.

Adelbert von Chamisso is zelf bijna een romanpersonage. In werkelijkheid heette hij Louis Charles Adélaïde Chamissot de Boncourt en was hij een Franse aristocraat wiens familie in 1794 voor de guillotine naar Pruisen was gevlucht. De wonderbaarlijke geschiedenis van Peter Schlemihl schreef hij in een maand tijd om er, zoals Driessen in zijn nawoord vertelt, de kinderen van zijn Duitse weldoener mee te amuseren. Zo zie je maar weer: het echte schone ontstaat vaak bij toeval.

Chamisso (1781-1838) was er zelf zo van onder de indruk dat hij hierna nooit meer een nieuw verhaal publiceerde en zich vooral wijdde aan de poëzie en de wetenschap. Zo nam hij deel aan een Russische wetenschappelijke expeditie en werkte hij als plantkundige in de Berlijnse plantentuin. Ook schreef hij als eerste een gedicht over de spoorwegen: ‘Das Dampfross’. Maar dat alles verdampt als je het verhaal over Peter Schlemihl leest.

In het begin van de novelle bezoekt Schlemihl een rijke Engelsman, bij wie hij een brief moet bezorgen. Die Engelsman leidt een gezelschap rond op zijn landgoed. Als een van zijn gasten de wens uitspreekt dat er een Perzisch tapijt zou worden uitgerold, ziet Schlemihl hoe een man in een grauw rokkostuum (die later de duivel blijkt te zijn) zijn hand onder zijn jaspanden steekt en er een met gouddraad doorweven Perzisch tapijt van tien bij twintig voet onder vandaan haalt. Even later volgen van onder dat rokkostuum ook een zonnepaviljoen en drie rijpaarden. Aan zo’n man verkoopt Schlemihl zijn schaduw. En dan lees je: ‘Hij schudde mijn hand, knielde zonder tijd te verliezen voor mij neer, en ik zag hoe hij mijn schaduw van top tot teen behoedzaam van het gras losmaakte en optilde, vervolgens oprolde en vouwde, en tenslotte opborg.’ En dat is nog maar het begin van dat mooie verhaal over een ontwortelde man, die door iedereen wordt uitgekotst. Want een man zonder schaduw deugt niet, omdat hij nergens bij hoort. En daarin doet hij sterk aan de ontwortelde balling Chamisso denken, aan wie hij zijn verhaal vertelt. Een verhaal dat door die andere schrijver nu heel knap is vertaald.

    • Michel Krielaars