Column

Liefdesdrama voor Hopper

Arme Edward Hopper, dacht ik onwillekeurig, toen ik het interessante boekje My dear Mr. Hopper gelezen had. Hoe ongelukkig kan een mens wel niet worden van een ongelukkige liefde? Dit boekje bevat de brieven van een vrouw, Alta Hilsdale, die hem op afstand hield, maar tegelijk hoop bleef bieden op een goede afloop.

Het boekje werd vijf jaar geleden onopvallend uitgebracht door Yale University Press en ontsnapte daardoor aan mijn belangstelling voor deze grote realistische Amerikaanse schilder, die leefde van 1882 tot 1967. De kunsthistorica Elizabeth Thompson Colleary die het boekje samenstelde, kreeg in 2009 inzage in een doos met brieven die Hopper bewaard had op de zolder van zijn geboortehuis in Nyack, een voorstadje van New York City.

Hopper had ze zorgvuldig opgeborgen, op datum en in de originele enveloppen. Zijn brieven aan Hilsdale zijn nooit gevonden. Jammer, maar gelukkig zijn de korte brieven van Hilsdale suggestief genoeg om zicht te bieden op het liefdesdrama dat zich gedurende deze correspondentie – van 1904 tot 1914 – voor Hopper voltrok.

Hopper, een verlegen, introverte man, heeft altijd over deze relatie gezwegen. Wel waren de namen bekend van twee andere vrouwen met wie hij een relatie had gehad, voordat hij op 41-jarige leeftijd trouwde met de schilderes Josephine Nivison. Hij was 21 jaar toen hij de een jaar jongere Alta Hilsdale leerde kennen, vermoedelijk op de New York School of Art. Haar welgestelde ouders uit Minnesota gaven haar de gelegenheid zich cultureel te ontwikkelen, eerst in New York, later in Parijs, waar ook Hopper drie perioden doorbracht.

De briefjes van Hilsdale aan Hopper kenmerken zich door een zekere vormelijkheid; er staat steeds ‘My dear Mr. Hopper’ boven en ook qua toon worden ze nooit intiem. Maar er is nog iets anders waarbij de vraag rijst of het Hopper nooit is opgevallen: Hilsdale houdt vaak de boot af, ze zegt afspraken af of stelt ze uit, en soms vergeet ze zelfs hem daarvan op de hoogte te stellen.

Hopper is degene die het initiatief voor een ontmoeting moet nemen, zij wacht af. In 1906 heeft hij in Parijs een korte verhouding met een Engels meisje, maar hij blijft Hilsdale schrijven. Wat Hilsdale precies van hem denkt, wordt niet duidelijk, behalve in een los krabbeltje dat ook in de doos werd aangetroffen: „U bent het type man dat niet gelooft dat een vrouw voor onbepaalde tijd platonisch kan zijn.”

Op 18 september 1914 meldt ze hem plotseling: „Ik denk dat ik enkele van mijn vrienden moet vertellen dat ik spoedig zal trouwen met Mr. Bleecker. Het is nog niet zo lang geleden besloten en ik vind het ook zelf nog moeilijk te geloven.”

Ze vermeldt haar nieuwe adres in Brooklyn en nodigt hem uit gauw eens langs te komen: „Ik verheug me er zeer op u te zien.” Hopper moet verbijsterd zijn geweest, want een maandje later schrijft ze hem: „Ik kan u niet vertellen hoe spijtig ik het vind dat ik u ongelukkig heb gemaakt. (…) Ik bedank u met heel mijn hart voor alles wat u voor mij gedaan heeft, en ik vraag u mij te vergeven dat ik u ongelukkig heb gemaakt.”

Daar houdt de correspondentie op. Daarna begon Hopper al die beroemde, desolate schilderijen te maken waarop man en vrouw elkaar niet aankijken.