Opinie

    • Auke Kok

Zwart en wit

De man die ’s morgens in een oranje hesje door het park loopt met een papierprikker is zwart. De millennials die het papier, de rotzooi, de barbecuesetjes van Albert Heijn de avond tevoren in een walm van marihuana en alcohol achterlieten, zijn wit. De bezorger die mij goedgemutst een pakje overhandigt in de deuropening – hé man! – is zwart. De auteur van het boek dat schuilgaat in het pakje in zijn handen is wit. De daklozenkrantverkoper bij de ingang van de supermarkt, die ik met een licht gevoel van schaamte twee euro in de hand druk – nee laat dat krantje maar zitten – is zwart. De vakkenvuller bij de groenteafdeling, die naar zijn baas loopt om mijn vraag te kunnen beantwoorden, is zwart. Zijn baas is wit. De jonge vrouw die zo ongeveer door mij heen kijkt terwijl ze mijn spullen scant achter de kassa is zwart.

De vrouw die mijn dementerende schoonmoeder in haar laatste levensjaren voorzag van schone kleren was zwart. Haar meerdere, de directrice van het zorghuis, was wit.

Laat ik modern zijn en ook Turkse en Marokkaanse Amsterdammers zwart noemen. Dan is de besnorde man die mijn zoete aardappelen op de weegschaal bij zijn kassa legt – anders nog iets, buurman? – zwart. Net zo zwart als de uitbater van de zaak in tweedehands computers, iets verderop in de straat. De verkoper in de exclusieve sportzaak is wit. De rijwielhandelaar is wit, net als zijn klanten. (De man met een 06-nummer op Marktplaats, die oude fietsen aanbiedt, is zwart.) In het peperdure filiaal van Marqt is iedereen, voor of achter de kassa, wit. In alle wijnhandels in de wijde omgeving zijn verkopers en kopers altijd wit. Ga ik naar mijn stamcafé is iedereen wit. Ga ik daarna naar de bioscoop is iedereen wit. Tijdens de voorstelling zijn de hoofdrolspelers wit.

In het Concertgebouw, in het Stedelijk, in het Rijksmuseum, het Amsterdam Museum, het Joods Historisch Museum, in de rij voor het Anne Frank Huis, in het Van Gogh is men wit. De schoonmakers zijn er zwart. Bandje kijken in Paradiso? Wit. Ook het publiek is er, tenzij het r&b betreft en iedereen zwart is, wit. De woonbuurt naast de Johan Cruijff Arena is zwart, evenals de man bij de hefboom en de man die mijn kaartje scant. Het publiek rechts en links van mij in het stadion is wit. De scheidsrechters, grensrechters en andere officials zijn wit. Sommige spelers zijn zwart.

De gebruikers van de fietspaden in de stad zijn wit, uitgezonderd de scooterrijders. De verkeersregelaar in een geel hesje bij de opgebroken weg is zwart. Het bootjesvolk in de grachten is wit, net als iedereen in de grachtenpanden. De handhavers die ’s avonds laat de lallende meute in het centrum kalmeren zijn zwart. De meute is wit.

Lang verhaal kort: je hoort wel eens, op 4 en 5 mei bijvoorbeeld, reppen van ‘moderne segregatie’. Misschien is dat in sommige opzichten niet volkomen onterecht.

Auke Kok is schrijver en journalist.
    • Auke Kok