Recensie

Wilhelmina bevrijd van oorlogsromantiek

Koningin Wilhelmina

Had Wilhelmina wel zo’n onverzettelijk karakter en was ze in de oorlog echt zo’n staatsvrouw? Een nieuwe biografie richt zich op de mythes en trekt oude beelden in twijfel.

Over Wilhelmina bestaat een eindeloze voorraad anekdotes met de vorstin in de hoofdrol van een onversaagde Don Quichote die zichzelf aanzag voor een polderversie van Queen Victoria, een inzicht dat in haar beleving vanzelf werd gedeeld door haar landgenoten. Zo zou ze bij een informeel bezoek van president Roosevelt die in rolstoel het gazon opreed van haar verblijf in Washington verstoord hebben uitgeroepen dat ‘ze geen tijd had voor die man’, en moest haar dochter Juliana haar aan het verstand brengen dat dit de president van een wereldmacht was en zij koningin van een klein landje.

Een ander voorbeeld van haar hoogdravende maatstaf was de vraag waarmee zij vlak na de oorlog een rij notabelen afwerkte, ‘in welk kamp hebt u gezeten’, wilde de vorstin van een ieder weten. Een fanatiek gekoesterd eigenzinnig denken en voelen tekende Wilhelmina’s wereldbeeld, eenkennige en avontuurlijke doortastendheid haar optreden. En toch was het juist dankzij die beperkte eigenschappen dat zij de status kreeg van onverzettelijke oorlogskoningin die ongeveer in haar eentje het land de Bezetting had doorgesleept. Oranjegezinde schrijfsters als freule Henriëtte de Beaufort beschreven haar als een rots, Loe de Jong metselde in zijn geschiedwerk verder aan dat beeld, en biograaf Cees Fasseur vervolmaakte het in zijn tweedelige biografie (1998 en 2001). De vorstin had zo haar eigenaardigheden – zwakheden volgens onwelwillenden – erkenden ze, maar dat was juist haar kracht, die de auteurs opbliezen tot mythische proporties. Legende en persoon waren één en kwamen samen in de oorlog, waarin zij het vernederde vaderland van statuur voorzag. Het Nederlandse volk werd geacht dat ook zo te zien.

Middenstandsvrouwtje

Je kunt ook met minder hagiografische blik naar deze koningin kijken, betoogt republikeins oranjehistoricus Gerard Aalders. Zijn Wilhelmina. Mythe, fictie en werkelijkheid laat zich lezen als een uitgebreid commentaar op de gesanctioneerde monarchale geschiedschrijving. Aalders citeert naar hartelust door Wilhelmina geëlektrificeerde bewonderaars uit inmiddels oninvoelbaar oude tijden en beschrijft hoe die andere Roosevelt, Theodore, in 1910 moest bekomen van zijn ontmoeting met de jonge vorstin die op hem de indruk maakte van ‘een zelfingenomen, slecht gehumeurd, echt Nederlands middenstandsvrouwtje’.

Maar de hoofdmoot van zijn betoog betreft de oorlog. En al kennen we Aalders als taaie, soms wat overijverige kritische volger van Bernhard en de Oranjes, hij heeft een degelijk en ook prettig leesbaar boek geschreven. De auteur loopt de hoogtepunten – dan wel dieptepunten – een voor een na.

Allereerst is er de vlucht begin mei 1940, volgens de overlevering en Fasseur een particuliere meesterzet waarmee de vorstin het neutraal weifelende Nederland definitief het geallieerde kamp in trok, volgens Aalders een geënsceneerd toeval (er lag al een Engelse jager klaar), achteraf opgewaardeerd tot een staatsvrouwendaad van formaat. In Londen zelf is haar grootste prestatie het vervangen van de zwakke minister-president De Geer door de daadkrachtiger Gerbrandy, zodat ‘het stel’ (de ministersploeg) er toch nog iets van bakte. En dan was er natuurlijk Radio Oranje. Wilhelmina hield 34 radiotoespraken van tien minuten, in totaal zes uur spreektijd in vijf jaar Bezetting. ‘Daarmee win je geen oorlog’, schrijft Aalders, en al helemaal niet met de inhoud, waar slechts drie maal zijdelings aandacht is voor de Jodenvervolging en verder sprake is van archaïsche strijdtaal – ‘sla den nazi op den kop, ik heb gezegd’, was haar sterkste tekst.

De moffen naar Siberië

De auteur brengt naast deze door hem anders gewaardeerde, bekende ook nieuwe, wellicht betwistbare belastende feiten. Zo is er haar gemarchandeer om het verzet te bundelen tot de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, waar de illegaliteit niet op zat te wachten. En dat het verzet door aanloop van provocateurs verzwakte en mogelijk aan tientallen onnodig gearresteerden het leven heeft gekost (waterdicht bewijs hiervoor levert hij overigens niet). En dan liep Wilhelmina ook nog eens te leuren met Bernhard. Haar ‘Bernilo’ moest en zou een militaire baan van betekenis krijgen, omwille van Oranje en het vaderland. Hij werd uiteindelijk bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten, waar hij de geallieerden niet voor de voeten kon lopen.

En of het allemaal nog niet belastend genoeg is, legt Aalders ook nog eens uitvoerig uit dat noch Churchill, noch Roosevelt enige notie van Wilhelmina namen bij hun plannen voor de herinrichting van de naoorlogse wereld, waarvan de koningin niets begreep. Haar meest constructieve gedachte was ‘de moffen’ aan de Nederlandse grens deporteren naar een uithoek van Siberië.

Aalders eindcijfer voor de vorstin is een onvoldoende. Ze leed zogezegd ernstig aan het aloude Oranjevirus dat sinds Willem de Zwijger de zaak van Nederland vereenzelvigde met de zaak van Oranje. Dat veranderde pas op het moment dat Juliana de kroon droeg, de dochter die ‘moe’ op cruciale momenten uit haar hoge Oranjeboom probeerde te helpen. Gerard Aalders heeft ‘de oude pluimstaart’, zoals ze zichzelf noemde, bevrijd van de oorlogsromantiek die om haar heen is gecreëerd. Het werd tijd na ruim een halve eeuw historiografische bezetting.