Sri Lanka heeft zijn eigen Dwaze Moeders en Vrouwen

Vermisten in Sri Lanka Tien jaar na de burgeroorlog zijn er nog twintigduizend vermisten. Gezinnen wachten op duidelijkheid.

Vrouwen met foto’s van vermiste familieleden op de Dag van de Mensenrechten, december 2015. Foto Eranga Jayawardena/AP

In het huis van Gnanaraj Siththirawathana (34) is de oorlog nog overal. Dat begint al bij haar portemonnee, een rode met witte hartjes waarop staat: lovely sweety. Ze haalt er de identiteitskaart van haar man Gnanappirakasam Gnanaraj uit, gemaakt op 24 april 2007. Twee jaar en bijna twee maanden voor hij verdween.

Nog even en er is een decennium verstreken sinds een eind kwam aan de oorlog die Sri Lanka bijna verscheurde. Ruim 26 jaar lang vochten de separatistische Tamil Tijgers, officiële naam Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE), voor een eigen staat in Sri Lanka. Een burgeroorlog volgens de één, een strijd tegen terrorisme volgens de ander, die uiteindelijk in 2009 aan minstens 100.000 mensen het leven had gekost.

Sindsdien heeft de overheid geprobeerd sporen van de oorlog te wissen met nieuwe wegen, spoorlijnen en resorts voor toeristen. Maar voor tienduizenden gezinnen is de oorlog nog altijd niet voorbij. Niet zolang ze geen antwoord hebben op de vraag wat er met hun geliefden is gebeurd.

In een lijvig rapport dat in 2015 verscheen beschuldigden de Verenigde Naties beide partijen van oorlogsmisdaden. De LTTE van onder meer gedwongen rekrutering van zelfs kinderen, het leger van (onder anderen) ‘onvrijwillige verdwijningen’. Berucht zijn de witte busjes waarin vermeende Tamil Tijgers in de laatste fase van de strijd werden meegenomen. Sommigen kwamen terug, velen anderen niet. Volgens de voorzichtigste schattingen is van minimaal twintigduizend Sri Lankanen – ook agenten en soldaten – niet bekend waar ze zijn, en of ze nog leven.

Trouwen

Siththirawathana’s man was twaalf jaar toen hij zich aansloot bij de Tijgers, vertelt ze. Hier in Mullaitivu, in het uiterste noorden van Sri Lanka, kijkt niemand daarvan op. Dit is ‘het land van de Tamils’, zo ging dat in die tijd. Bovendien: op zijn achttiende stopte hij weer. „Anders konden we niet trouwen”, legt zijn vrouw uit. Van de LTTE mochten jongeren niet trouwen en Gnanaraj wilde niet wachten. Van strijder werd hij visser, in de lagune om de hoek van hun huis. Ze kregen vier kinderen, al heeft hij de jongste nooit gezien.

In 2015, onder druk van de internationale gemeenschap, beloofde de huidige president Maithripala Sirisena dat er een commissie zou komen om te onderzoeken wat met mensen als Gnanaraj is gebeurd. Een aparte waarheidscommissie zou naar de aantijgingen van oorlogsmisdaden kijken, er zou een commissie voor herstelbetalingen komen én er zou een internationaal tribunaal worden samengesteld.

Vooral met die laatste belofte maakte Sirisena zich weinig populair. Daarmee zouden namelijk deuren zijn opengezet naar de vervolging van zijn omstreden voorganger, Mahinda Rajapaksa en legerofficieren. Veel Sinhalezen, met 75 procent de grootste etnische groep op het eiland, zijn daartegen.

Van die beloftes is weinig terechtgekomen. Op één na: begin vorige maand, vlak voor een bijeenkomst van de VN-mensenrechtenraad, was daar het Office of Missing Persons (OMP). Dit panel, bestaande uit onder meer een mensenrechtenadvocaat en een gepensioneerd juridisch adviseur van het leger, staat nu voor de monstertaak het lot van de vermisten te achterhalen. Hun mandaat is beperkt: eventuele daders mag de commissie niet vervolgen, voor de toekenning van compensatie mag het panel alleen aanbevelingen doen.

Siththirawathana schudt in haar keuken het hoofd: weer een commissie. Onder oud-president Rajapaksa deden er ook al commissies ‘onderzoek’ naar de vermisten, maar antwoorden bleven uit.

Duidelijkheid

Ze wil duidelijkheid, zegt ze. Naast haar op de stenen vloer zit haar oudste zoon, een ietwat slungelige puber in een voetbalshirt. De laatste keer dat hij zijn vader zag, was op 2 maart 2009. Een jaar daarvoor stond plots de LTTE weer voor de deur. Het leger was aan het oprukken richting Mullaitivu en dus was iedereen nodig. Siththirawathana’s man werd direct meegenomen naar het front.

Een enkele keer mocht Gnanaraj even naar huis. Bij hun laatste afscheid deed hij zijn zwangere vrouw een belofte. Siththirawathana: „De gevechten waren toen al vrij hevig. Hij zei dat als het nog erger zou worden, hij naar huis zou komen.”