Recensie

Om zichzelf leed D’Annunzio het meest

Gabriele d’Annunzio Zelden had iemand het zó goed met zichzelf getroffen als de vader van de moderne Italiaanse letterkunde D’Annunzio. De voluptueuze zinnen in zijn dagboek tonen een hartstochtelijke egoïst.

Gabriele D’Annunzio verloor in de Eerste Wereldoorlog zijn rechteroog Foto Marka/UIG via Getty Images

Gabriele d’Annunzio hield van vrouwen. Getrouwd of ongetrouwd, dat deed er niet toe, als ze maar mooi of deftig waren en hij hen in woord en daad kon beminnen. Soms had hij er meerdere tegelijk, maar meestal wisselden ze elkaar om de paar jaar af. En wanneer hij op hen uitgekeken raakte, liet hij hen nieuw bedvertier regelen, wat ze met overgave deden.

Ondanks zijn onooglijke, kleine gestalte moet D’Annunzio een magische uitstraling hebben gehad. Niet alleen op vrouwen, maar ook op mannen, want als officier was hij geliefd bij zijn ondergeschikten, en als kortstondig politicus werd hij aanbeden door zijn aanhangers. En dan heb ik het nog niet eens over zijn decadente schrijverschap, want daarin werd hij bewonderd door tijdgenoten als James Joyce, Marcel Proust, Curzio Malaparte en Louis Couperus.

Nog meer dan van vrouwen hield D’Annunzio (1863-1938), die de vader van de moderne Italiaanse letterkunde wordt genoemd, van zichzelf. Dat blijkt uit het hoogst vermakelijke, exuberante en openhartige Privé-domeindeel met drie van zijn egodocumenten.

In die autobiografische geschriften, die door Jan van der Haar voortreffelijk zijn vertaald en geannoteerd, is het van de eerste tot en met de laatste bladzijde smullen geblazen. Niet zozeer door D’Annunzio’s literaire minnekozen in een stortvloed aan voluptueuze zinnen, als wel door zijn alom aanwezige egocentrisme en narcisme. Volgens mij heeft zelden iemand het zo met zichzelf getroffen als deze kleine Italiaanse levensgenieter.

Die karaktereigenschappen zijn zo overheersend, dat ze zelfs niet verminderen wanneer in 1908 een van zijn vele vrouwen, gravin Giuseppina Mancini, uit schuldgevoel over haar overspel met hem in een psychose raakt en in een gesticht belandt. Want behalve om haar en om hun liefde, draait het in het in 1939 postuum verschenen Solus ad solam, zijn dagboek uit die tijd, om hoe híj zich voelt, om zíjn lijden onder de pijnlijke situatie, waarin de vader van Giuseppina en niet hij zich als haar redder opwerpt.

Oorlogsheld

Behalve een romantisch decadente vrouwenliefhebber was D’Annunzio ook een oorlogsheld in de Eerste Wereldoorlog, waarin Italië tegen de Habsburgse en Duitse keizers vocht. Hij raakte zwaargewond, verloor een oog en zorgde in 1919 voor Italiaanse gebiedsuitbreiding op de Balkan door met een eigen legertje en in naam van Italië de havenstad Fiume (het huidige Kroatische Rijeka) op de Oostenrijkers te veroveren om er een jaar later een onafhankelijke stadstaat te stichten, die veel weg had van een hippiekolonie waar alles mocht. Na drie maanden feestvieren maakte de Italiaanse regering met geweld een einde aan dat avontuur.

D’Annunzio trekt zich terug uit de politiek ten gunste van Mussolini, die hem afkoopt met een fortuin. Toch bleef hij zichzelf als de enige echte leider van het nieuwe Italië zien. Hij hoopte zelfs dat het regime van Mussolini een kort leven beschoren zou zijn, waarna hij het kon overnemen.

Maar eerst die vrouwen. Het candlelight-gehalte in Solus ad solam is hoog. Zo schrijft hij op de eerste bladzijde aan Giuseppina: ‘Ik adem je waanzin: mijn ziel verwijdt zich in de angst zoals je ogen: ze kijkt naar het donker, vreest de spoken en de smetten.’

Het is een zin die zindert van wanhoop en verlangen, maar zodra je beseft dat hij in een dagboek staat en niet in een brief aan een krankzinnig geworden minnares, ben je toch eerder geneigd te denken dat het hier om zelfmedelijden gaat, dat kunstmatig is omgezet in gevoelens voor een ander. Je proeft dat ook uit elke andere hartstochtelijke zin die hij aan haar wijdt, alsof hij bang is dat ze, mocht ze weer beter worden, terugkeert naar haar wettige man en haar minnaar alleen achterlaat. Neem bijvoorbeeld: ‘Waarom verjoeg je niet de vergeefse spijtgevoelens, de late treurnissen, de kinderlijke angsten, en gaf je je niet helemaal over aan de blinde, zegevierende hartstocht die je als enige had kunnen redden en wegsleuren van alle klein- en laagheden?’

Ziekbed

Dat egoïsme blijkt ook uit een passage waarin D’Annunzio tijdens het ziekbed van Giuseppina vanuit zijn woonplaats Florence naar Bologna reist om er deel te nemen aan een autorace en hij na afloop daarvan gefotografeerd wordt met een andere vrouw aan zijn zijde. ‘Ik dacht dat jij in mijn afwezigheid van een dag dieper in jezelf zou kunnen kijken om uit je kwellende onzekerheid te komen. Ik hoopte op een kreet om hulp, op een onverwachte wederopstanding van liefde en hoop.’ Ook nu kun je niet anders dan oordelen dat hier een man aan het woord is die zijn piemel achterna loopt en zijn bevrediging zoekt in zijn eigen genialiteit.

Maar hoe kan het ook anders met iemand die al op zeer jonge leeftijd debuteerde en sindsdien een van de beroemdste schrijvers en dichters van zijn tijd was. Om geld maakte hij zich geen zorgen, want als telg uit een verkwistende familie smeet hij het net als zijn vader over de balk. Zozeer zelfs dat hij in 1910 in Franse ballingschap moest gaan om aan zijn schuldeisers te ontkomen. Toen Italië in 1915 tot het geallieerde kamp toetrad, keerde hij terug om de wapenrok aan te trekken. En ook in die tijd uit zich zijn decadente romantiek, want zijn romantische doodsverlangen was niet van de lucht. De wagneriaanse heldendood lijkt soms het mooist denkbare, iets waar elke man naar zou moeten verlangen. Absurd natuurlijk, maar toen was het in sommige kringen in de mode.

In het in 1921 gepubliceerde Nocturne haalt D’Annunzio herinneringen op aan de eerste jaren van de Eerste Wereldoorlog en dan vooral aan twee gesneuvelde kameraden, vliegeniers op bommenwerpers van de marine, waar hij divisiecommandant was. Opnieuw overheerst de hartstocht, maar deze keer heeft die niets met vrouwen te maken, maar de opwinding die met gevaar gepaard gaat en met de dood. En weer buldert D’Annunzio van de hartstocht, maar nu is het een hartstocht van het lijden om hen die op sterven liggen: ‘Ik ben van zijn soort; en ik lijd zijn pijn met een buitensporige, onnoemlijke reikwijdte, van heel de jeugd tot heel de ouderdom, en door alle rivieren van de bron tot aan de monding, en door alle bergen, van de voet tot aan de top. Zijn arme vlees is mijn vlees.’ Je kunt hem een aansteller noemen, maar ook iemand die overliep van passie en menselijkheid. Een man die leed om alles en iedereen, zichzelf in de eerste plaats.

    • Michel Krielaars