Opinie

    • Ellen Deckwitz

Naar huis

De week voorafgaand aan een reis is altijd zo veel gedoe: deadlines halen, koffers pakken, huisoppas instrueren. Omdat ik uit een familie van neuroten kom, loopt de gezinsapp over van dingen die ik niet mag vergeten: mijn moeder vroeg me zo-even of ik wel een EHBO-kit had ingepakt (ik verzin dit niet) en mijn broer, met wie ik straks naar Indonesië zal afreizen, is inmiddels beter voorbereid dan een Navy Seal die op missie naar Syrië moet. Op zich liggen we redelijk op schema, al zou het wel veel tijd schelen als we geen zus met een gegeneraliseerde angststoornis hadden.

„Mijd steegjes! Ga niet alleen een markt op!”, riep ze nadat ik de telefoon had opgenomen. „Eet en drink zo min mogelijk lokaal spul!”

„Dat wordt lastig want we zitten straks de hele tijd lokaal”, zei ik, waarop ze gilde dat ik best wel wist hoe ze het bedoelde. We hingen op maar een kwartier later belde ze weer, dat ik niet moest vergeten om een bloedsuikermeter mee te nemen (nogmaals: ik verzin dit niet). Ik heb geen diabetes, maar ze drong aan.

„Alles komt goed”, zuchtte ik.

„Dat weet je niet!” zei ze en begon allemaal dingen op te sommen die mis konden gaan en toen had ik er genoeg van. Ik zei dat ik ophing en dat ze me de komende zes uur niet mocht bellen.

Daar hield ze zich, dat moet ik echt zeggen, keurig aan. Wel stuurde ze zo veel appjes dat het beeldscherm van mijn telefoon op een zeker moment een waterval van berichten leek. Ergens begrijp ik haar bezorgdheid, althans, ik ben het gewend. Bij ons thuis is iedereen standaard ongerust. Dat krijg je als een grootmoeder-met-oorlogstrauma naast je woonde: dan neem je het gevoel dat het ieder moment weer mis kan gaan vanzelf over.

„Zonder die hele oorlog zou iedereen een stuk relaxter zijn over onze reis”, zei ik tegen mijn broer. „Ja”, zei hij, „maar zonder die oorlog zouden we ook niet op reis gaan.”

Dat was waar: momenteel werk ik aan een stapel gedichten over mijn grootmoeder. De komende weken zal ik de laatste ooggetuigen spreken, de kampen (of wat daarvan over is) bezoeken, haar land van herkomst in kaart brengen: de plek ervaren waar ik zo veel van weet, maar waar ik nooit ben geweest. Waar bovendien nog tallozen wonen die door dezelfde wereldgebeurtenissen net als mijn oma chronisch verontrust zijn geraakt, en dat aan hun kinderen hebben overgedragen.

„Dus eigenlijk”, zei ik, „gaan we naar een plek met louter geestverwanten. Of beter gezegd: leedverwanten.” Hij lachte.

„Met andere woorden: we gaan naar huis.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz