Recensie

Met lichtsnelheid langs de zinnen bewegen

Rozalie Hirs De wereld is klaar om waargenomen en ervaren te worden, maar waar te beginnen? De beelden en associaties vloeien vrijelijk in de scheutige poëzie van Hirs, maar geven nauwelijks kans grip erop te krijgen.

De bundel verdere bijzonderheden van Rozalie Hirs (1965) opent als volgt: ‘markeer zes bestemmingen naar keuze op de kaart / van je keuze, elk met een heel eigen geschiedenis, leeftijd, / omgeving, inwonertal, soort van snackbar. trek zes paden // van <hier> tot aan iedere bestemming, al met al zesendertig wegen.’

De wereld ligt open, klaar om waargenomen en ervaren te worden, maar waar te beginnen? De dichter probeert alle mogelijke richtingen te omarmen: we schieten van ‘oneindig krullende klimoptakken’ naar Bear Lake in Alaska naar allerlei sneeuwsoorten.

De gedichten van Hirs zijn stromen van beelden en associaties. Het gaat erom beelden binnen te laten, ‘zomaar uit interesse voor het onbekende / dat wij natuurlijkerwijs bezitten of enig verlangen onvolkomen // nieuw als een mysterie’. Dit tasten ontspringt uit de ontvankelijkheid voor de wereld, waarvan deze bundel rekenschap aflegt. Vandaar dat Hirs’ taal zo oningevuld mogelijk is. Voornaamwoorden worden niet of nauwelijks ingekleurd. Details worden kort gefixeerd. Veel werkwoorden drukken beweging uit.

Dat Hirs woorden uit hun gebruikelijke context losweekt en in ruimer overdrachtelijk gebied integreert, draagt bij aan het opengewerkte karakter. Ze schept een ruimte ‘waar zinnen, gelezen, samengaan, een oneindig spoor dan wel vlak vormen / om met lichtsnelheid langs te bewegen.’ Deze gedichten kunnen vrijelijk vloeien, doordat Hirs interpunctie als aanduiding van rustmomenten gebruikt: ‘weer. een huid die het verlangen naar verandering voedt, naar iets goeds. / waardevols, intussen. blootgelegd, komen samen. binnen een punt, / in het zwart, hart, de roos. zo goed het ons. raakt.’

Hirs probeert obstakels weg te halen, zodat lezers zich over kunnen geven aan haar scheutige verzen. Dat maakt van verdere bijzonderheden een bijzonder fragiel project, dat niet altijd even goed uitpakt. Lezend bevind je je op een wankel evenwicht. De cyclus ‘varens’ dompelt je onder in een ritselend avontuur: ‘als je je een weg door het stof baant, vind je varens. objecten van onderzoek, / van verlangen. varens. een heel leven zoek je varens, streel je ze.’ Deze beeldrijke gedichten zetten overtuigend een mysterieuze sfeer neer.

Op andere momenten wordt je ontvankelijkheid verstoord door te onheldere formuleringen. Hoewel het gedicht ‘je komt uit het niets’ prachtig opent (‘je komt uit het niets tevoorschijn noem het liefdesdaad ongelukje’) en afsluit (‘zolang je begrensd / omsloten bent door de wijde stormachtige natuur van het alledaagse’) raak je daartussenin het spoor bijster in onhandige regels als: ‘toevalstreffer zomaar zijnde voor zover het verschijnt in enkelvoud al // wat je bent bestemd voor iemand om door iemand waargenomen / te worden zonder meer als zodanig verschijnend aan iemands zijn’. De waarneming wordt hier te onscherp neergezet.

De charme én valkuil van deze bundel is dat Hirs haar taal probeert af te stemmen op een tastend oog, dat de blik naar buiten richt en zich laaft aan alle indrukken. Er is nauwelijks een mogelijkheid om even stil te staan en grip te krijgen. In deze zeer gepolijste gedichten is het tasten in het duister.