Opinie

Meer geld voor culturele elite

Kunstkritiek

Met hulp van mecenassen kan de kunstcriticus weer gezag krijgen, schrijft . „Met goede kunstkritiek kunnen we nepkunst ontmaskeren.”

Illustratie Anne van Wieren

Theatermaker George van Houts twijfelt aan de uitleg van 9/11 en maakte daar een voorstelling over: Kom plot. In het tv-programma Pauw legde hij een goudbaar op tafel en beloofde er drie (à honderdduizend euro) aan de wetenschapper die kan aantonen dat de gangbare lezing over de gebeurtenissen op 11 september 2001 klopt.

Van Houts heeft een voorkeur voor theater met politieke gevolgen. Zo maakt hij deel uit van het gezelschap De Verleiders dat met de kaskraker Door de bank genomen de benodigde veertigduizend handtekeningen wist op te halen voor het burgeriniatief ‘Ons geld’. Daarover debatteerde de Tweede Kamer twee jaar geleden. „Het is gelukt!”, bedankte het gezelschap zijn publiek op hun website. „Mede dank zij uw steun staat geldschepping op de agenda in ‘Den Haag’.”

Kunst die zo’n directe invloed op de politieke werkelijkheid heeft, moet wel een voorbeeld van geslaagde geëngageerde kunst zijn. Hoe slagvaardig wil je het anders hebben? Toch is de invloed van zulk theater en zulke debatten op de dagelijkse werkelijkheid nihil – de financiële sector raak je er niet mee. Wel heeft zulk theater een vernietigend effect op de betekenis die kunst heeft voor een cultuur.

Aktie Tomaat

Vijftig jaar geleden moest de verbeelding aan de macht komen. Een van de ludieke en provocatieve acties van dit politiek idealisme was de Aktie Tomaat. Om een eind te maken aan de hegemonie van een kleine conservatieve elite die geen ruimte liet voor geëngageerd theater, gooiden actievoerders tomaten naar acteurs op het podium. De opstand lijkt het beoogde effect te hebben gehad, het wemelt inmiddels van de kunstenaars die vanaf het podium, vanuit hun atelier of via YouTube de maatschappij willen verbeteren. Maar zijn deze bewogen artiesten ook in staat om de bestaande orde omver te werpen? Ik zou er niet te veel op hopen.

We leven inmiddels in een heel andere tijd. En dan bedoel ik niet het zogenaamde post truth tijdperk, want dat is zelf een misleidend frame. Leugens, bedrog en pseudo-wetenschap zijn van alle tijden. Beter kunnen we stellen dat we ons in een post-autoriteitstijdperk bevinden. En de autoriteitscrisis wordt niet veroorzaakt door een gebrek aan autoriteiten, maar door een teveel. Iedere filterbubbel heeft zijn eigen autoriteit en iedere autoriteit heeft zijn eigen fanbase.

Versplintering van culturele aanbod

Het ontbreken van een gedeelde autoriteit, in de vorm van een gemeenschappelijk verhaal of een canon, zorgt voor een versplintering van het culturele aanbod. Deze versplintering heeft de aard en functie van kunst in onze cultuur niet ongemoeid gelaten. Ooit werd kunst gemaakt voor iedereen, terwijl alleen een kleine elite er iets van vond; nu wordt kunst gemaakt voor een kleine fanbase en heeft iedereen er iets over te zeggen. En in dit meningencircus lopen de kunstopvattingen nogal uiteen. De een vindt kunst slechts amusement, de ander een vorm van therapie, een derde meent dat kunst moet verenigen, schokken of een boodschap moet hebben, een vierde beschouwt kunst als vrijplaats voor het nutteloze en weer een ander, zoals Van Houts, vindt dat fictie zonder concrete politieke gevolgen het predikaat kunst niet verdient.

Dat klinkt lekker veelzijdig en vrij. Kunst is een kwestie van smaak, nietwaar? Nou nee, dat blijkt wel zodra de verschillende kunstliefhebbers onverhoopt bij elkaar de filterbubbel inlopen, zoals de pappa’s die op het Noorderzonfestival in 2015 een festivalmedewerker dreigden „door de knieën te schieten”, als het in hun ogen kinderpornografisch kunstwerk Toys in the Attic van Harma Heikens niet wordt verwijderd. De tentoonstellingsruimte met haar werk werd onder deze druk daadwerkelijk gesloten door de festivaldirectie.

Ook bij andere kunstinstellingen blijft het kunstbeleid niet vrij van commentaar en lopen de gemoederen hoog op. Ik denk aan de twitteraars die over de vermeende commerciële belangenverstrengeling van de directeur van een hoofdstedelijk kunstmuseum schreven: „Dit soort types. Walgelijk. Ik hoop dat ze jaren de bak in gaat. #ruf #stedelijkmuseum”.

Ook in de politiek is kunst soms meer dan een kwestie van smaak. De fractievoorzitter van het FvD, Thierry Baudet, is bang dat de „grote eenzijdigheid in de kunst” alleen „een linkse maatschappijvisie” propageert. „Je ziet nauwelijks realistische kunst”, zei hij verontwaardigd op Radio 1. En dan woedt er natuurlijk nog de politiek correcte beeldenstorm die bustes van koloniale kopstukken aan het zicht wil onttrekken of verdwijnt er onder druk van #metoo – tijdelijk – een negentiende-eeuws impressionistisch bloot uit een gerenommeerd Brits museum.

Cultuur speelt zichzelf

Kunst leeft, zou je kunnen zeggen. Dat zou ons moeten verheugen, want de kunsten hebben een beslissende functie voor een cultuur. Sterker nog, cultuur is een aaneenschakeling van ficties. Het succes van een cultuur is, om cultuurhistoricus Johan Huizinga (1872-1945) te parafraseren, afhankelijk van de mate waarin een cultuur erin slaagt zich als een cultuur voor te doen. Kortom, cultuur speelt zichzelf. Voortdurend. Daar is verbeelding voor nodig. Om cultuur een geloofwaardige fictie te laten zijn, moeten de beelden altijd worden ververst. Geen enkele fictie is bestand tegen sleetsheid, zoals uiteindelijk ook een zomerhit zijn magie verliest als ze maar vaak genoeg wordt gedraaid. Elk geslaagde avant-garde is uiteindelijk burgerlijkheid in de dop.

In onze getechnologiseerde cultuur is er aan beelden geen gebrek. Integendeel, de productie van fictie is overvloedig en veelvormig. Maar in het huidige versplinterde, twistzieke culturele landschap ontbreekt het fictie steeds aan een autoriteit die de filterbubbel overstijgt. Hierdoor mist de cultuur de verbeeldingskracht die nodig is om zichzelf te vernieuwen.

„Fictie”, schreef de Franse filosoof Jacques Rancierre in 2007 in het essay De geëmancipeerde toeschouwer, „is niet het scheppen van een imaginaire wereld die tegengesteld is aan de werkelijke wereld, maar een werking die een dissensus teweegbrengt”. Met zo’n dissensus bedoelt hij dat we gaan zien hoe we naar de werkelijkheid kijken; met welke vooronderstellingen, perspectieven, verwachtingen en preoccupaties. De kunstenaar kan ons bewust maken van onze blik door te spelen met andere kaders, schaalgroottes en ritmes.

Artistieke fictie laat zien hoe wij kijken – niet hoe we moeten kijken. Kunst heeft daarom volgens Rancierre nooit een boodschap. Kunst is links noch rechts en kunst is geen middel, niet voor een politiek doeleinde en niet voor het bevredigen van onze lusten.

Deze kunstopvatting stemt overeen met de esthetica van de Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant zoals hij die uiteen zette in zijn Kritiek van het oordeelsvermogen (1792). Het was het einde van de zogenaamde object-esthetica waarin elitaire regels bepaalden wat goede kunst was. Kant beschreef hoe ondanks de subjectiviteit van een smaakoordeel, kunst toch geen particuliere aangelegenheid hoefde te worden – zolang we kunst waarderen om de manieren van kijken die ze toont en niet vanwege politiek gewin of lustbevrediging.

Kants Kritiek van het oordeelsvermogen staat ook aan het begin van het meningencircus over kunst, omdat het tegen de gebruikelijke gemeenplaats in beweert dat over smaak wél te twisten valt. Sterker nog, we moeten wel, juist omdat er geen objectieve maatstaf bestaat. Over 1 + 1 hoeft niemand te twisten, maar wel over de vraag of een urinoir kunst kan zijn, of over de vraag of een handtas maken van je poes kunst is of dierenmishandeling.

Schijn van objectiviteit

Heel lang was smaak in handen van de elite die schoonheid de schijn van objectiviteit gaf. Vaststaande regels leidden bijna eendimensionaal tot goede smaak. Nu mag iedereen erover meepraten. In ons post-autoriteitstijdperk levert dat weliswaar een hoop twist op, maar de kunst zelf blijft krachteloos.

Ik ben ervan overtuigd dat we de verbeelding opnieuw aan de macht kunnen helpen. Tegen de defaitistische tijdgeest in, waarin een collectief onbehagen wordt aangejaagd door het beeld van een neoliberale bulldozer die met zijn marktwerking de cultuur naar zijn onafwendbare ondergang schuift.

Al is daar wel een opstand voor nodig, want het neoliberale verdienmodel heeft de individuele burger (lees: consument) zo afhankelijk gemaakt van gemak en behoeftebevrediging dat hij liever de waarheid vermijdt dan dat hij zijn levensstandaard opgeeft. Dat ondanks het welig tierende consumentisme zoveel geëngageerde kunst bestaat, zegt niets. We gaan een avondje uit, drinken wat, lachen wat, tekenen een petitie en #wekwamenweereveninopstand. Het verzet van theatermakers als George van Houts past in deze trend.

Rehabiliteer de elite

Wat moeten we nu doen? Hoe komen we in opstand tegen het failliet van de fictie? Het antwoord is: een omgekeerde Aktie Tomaat. De elite die bijna vijftig jaar geleden werd afgezet door het tomatengooiende publiek moet worden gerehabiliteerd. Deel het maar vast in uw bubbel: #OpstandVanDeElite, #AktieMecenaat, #KunstMinnendeGeldschietersGezocht.

Met de Aktie Mecenaat vraag ik mecenassen (van oudsher de beschermheren en -vrouwen van wetenschap en kunst) om financieel bij te dragen aan de totstandkoming van een inhoudelijke kunstkritiek die verbeelding weer van autoriteit voorziet.

Autoriteit die voortkomt uit het juiste oordeel, een sterk verwoord smaakoordeel. En die moet komen van een elite. Niet een elite, zoals vóór Kant, die toevallig uitverkoren is vanwege afkomst, en ook niet een elite die kunst koopt om te beleggen, maar een elite die zichzelf uitverkiest door het juiste woord in de vorm van inhoudelijke kunstkritiek. Zoals we fakenews moeten tegengaan met meer geld voor onderzoeksjournalistiek, zo kunnen we nepkunst ontmaskeren met veel meer goede en vooral zichtbare kunstkritiek.

Lees ook: NRC schaft de ballen niet af maar moet waken voor fixatie

Met het geld van een mecenas zouden we kranten, tijdschriften en andere media kunnen subsidiëren om systematisch ruimte te maken voor kunstkritiek. En met kunstkritiek bedoel ik niet een soort ranking the arts in de vorm van ballen en sterren. Kunstkritiek is geen wedstrijdjury of een helpdesk voor kunstconsumenten, maar het werk van schrijvers en denkers die aan hand van kunstwerken laten zien hoe wij kijken.

Aktie Tomaat leek een onderdeel van het egalitaire proces van de Verlichting, maar blijkt bij nader inzien een symptoom van de neoliberale behoeftebevrediging waarin de klant koning is. Tijd voor nieuwe aktie. Aktie Mecenaat moet niet de klant maar de kunst tot koning kronen. Zo kan de autoriteitscrisis in de fictie worden bedwongen. Drie kilo goud zou een mooi begin zijn.