Commentaar

Achttien plus is te jong voor verplichte zelfredzaamheid

Jongvolwassenen blijven langer bij hun ouders thuis wonen. Uit financiële noodzaak, maar ook vaak omdat een eigen leven op orde brengen beter lukt vanuit de veiligheid van het eigen nest. Ook op andere terreinen ondervangt de ouderlijke zorg stilletjes de kinderlijke zelfstandigheid. Zo kijkt er niemand van op dat ouders hun kinderen vergezellen in de introductietijd van hun vervolgopleiding. Zo algemeen wordt de noodzaak van het gezin als vangnet ingezien, dat minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA) met ingang van juli het ook voor een pleegkind mogelijk maakt om tot zijn 21ste terug te vallen op de pleegouders. En niemand die knort: ze zijn 18, laat ze zichzelf maar redden.

Tenzij een kind met te veel problemen kampte om in een (pleeg)gezin te kunnen opgroeien en aangewezen was op een jeugdinrichting. Voor hem of haar vervalt met de 18de verjaardag de bescherming van verzorgers. Daar gaan ze, hopla, het volwassen leven in.

Niemand zit zomaar in een jeugdzorginstelling. De 15.000 kinderen die er huizen zijn goed voor 15.000 verschillende verhalen over zware ouderlijke verwaarlozing in een structureel onveilige omgeving. Maar één ding hebben ze gemeen: ze kunnen er niets aan doen. En uitgerekend van hen wordt een vorm van zelfstandig gedrag geëist die fortuinlijker kinderen op die leeftijd nog niet hoeven op te brengen. Zonder steun van ouders of verzorgers moeten ze een woning zoeken, de kost verdienen, een opleiding afmaken.

De wet bepaalt dat deze jongeren zelfredzaam moeten zijn, maar de wet kan zoveel willen. Weinigen lukt het. Hun leven is nog maar net begonnen en ze lopen al disproportioneel veel risico op schulden, armoede, werkloosheid en dakloosheid.

Achttien jaar oud is erg jong. Zelfstandig worden is een kwestie van vallen en opstaan en zonder familie of verzorgers is opkrabbelen erg zwaar. Maar anders dan voor de pleeggezinkinderen wordt voor de jongeren in jeugdzorginstellingen de leeftijdsgrens niet opgetrokken. Gemeenten kunnen per geval de jeugdhulp verlengen, tot maximaal 23 jaar. Maar vaak ook moeten deze jongvolwassenen het zelf uitzoeken en komen ze al snel in problemen die nauwelijks meer op te lossen zijn. En dat betekent dat hun leven, dat al was begonnen met een valse start, nu voor de tweede keer aan scherven ligt.

De betrokken jongeren zelf pleiten voor een ‘strippenkaart’ die hun het recht geeft om een keer of tien terug te vallen op hun jeugdhulpverlener. Dat klinkt aardig maar het schuift eigenlijk alleen de problemen op. Het betekent bovendien dat ze er nóg een verantwoordelijkheid bij krijgen, namelijk het managen van die strippenkaart. Met als gevolg meer stress en nieuwe onzekerheid (wat gebeurt er als de strippenkaart verbruikt is?).

Iedereen kan zien dat van de kwetsbaarste jongeren iets geëist wordt waar hun leeftijdsgenoten niet aan hoeven te voldoen: totale zelfstandigheid op hun 18de. Daarom biedt het idee van de verzamelde jeugdhulpverlening de enige mogelijke oplossing: trek die ongelijkheid recht. Maak een hogere leeftijdsgrens de standaard voor alle jeugdhulp, ook die van de jeugdhulpinstellingen, zelfs al is hun zorg duur.

Minister De Jonge maakt 108 miljoen euro vrij voor verbetering van de jeugdhulp. De gemeenten kunnen dit voorbeeld volgen en de zorgverzekeraars ook. Omdat ze beseffen dat deze jonge mensen eigenlijk kansloos zijn zonder een substituut voor de ouderlijke zorg die voor de meesten van ons vanzelf spreekt.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.