Recensie

Het klimaat richtte nogal wat aan in het Romeinse Rijk

Het Romeinse Rijk

Volgende week is het Romeinenweek. Reden temeer om het imposante overzicht van classicus Kyle Harper te lezen over hoe infectieziekten en klimaatomslagen de Romeinse wereld troffen.

Het laatste schilderij, Desolation (1836), uit Thomas Cole’s vijfdelige serie The Course of Empire foto Wikipedia

De ondergang van het Romeinse Rijk vormt welhaast een eigen literair genre. Steeds herkent een auteur in de Late Oudheid een bezorgdheid uit zijn eigen tijd en dist hij daarover een dramatisch verhaal op. Dat kruidt hij vervolgens met wat citaten van Edward Gibbon, wiens The History of the Decline and Fall of the Roman Empire (1776-1788) het beroemdste voorbeeld is van dit genre. Tot slot serveert de auteur het resultaat met een saus van apocalyptiek, want de tijdgenoten mochten de waarschuwing toch eens missen.

Het kan niet mislukken. De oudheidkundige beschikt immers over weinig bronnen – laten we zeggen twee boekenkasten vol literaire teksten en drie kasten inscripties en papyri – terwijl het archeologisch materiaal vaak ambigu is. In de Late Oudheid is het nóg minder: vooral bronnen over het christendom; weinig inscripties, munten of papyri; een afname van de archeologische vondsten. Dat is jammer, want hoe schaarser de data, hoe makkelijker ze in elke gewenste richting zijn te redeneren. De transitie van Oudheid naar Middeleeuwen heeft bovendien lang geduurd, zodat er altijd wel een periode is waarin de auteur zijn bezorgdheid ziet weerspiegeld.

Zo wilde Gibbon (1737-1794), die parlementslid was, waarschuwen tegen autocratie. Daarom begon hij zijn betoog in de tweede eeuw n.Chr., toen goede keizers verzuimden de Senaat – lees: een parlement – voldoende bij het bestuur te betrekken. Een oudheidkundige die hecht aan een sterke eenheidsstaat, kan zijn verhaal beginnen in de derde eeuw; wie een hekel heeft aan christenen, wijst op de doorbraak van hun geloof; wie vindt dat een overheid niet te ver moet terugtreden, selecteert de vijfde eeuw. Gelovigen in de rassenstrijd kiezen de Grote Volksverhuizingen en islamofoben nemen de zevende eeuw. Het kan allemaal, het is allemaal dramatisch, het oogt allemaal reuze gewichtig en het is allemaal in meer of mindere mate (on)juist.

Wraak van de natuur

En nu ligt er Kyle Harper’s The Fate of Rome. Het voldoet aan alle eisen van het genre. Modieuze problematiek? Inderdaad: de nieuwe, opkomende infectieziektes die alleen in 2018 al vier keer in deze krant aan de orde zijn geweest. Dramatische presentatie? Yup: het wemelt van de beschrijvingen van naargeestige epidemieën. Citaten van Gibbon? Tot in de hoofdstuktitels aan toe. Les voor de eigen tijd? Check: de Romeinse globaliserende wereld die de wraak van de natuur begint te voelen, zo schrijft Harper (1979), zal ons niet heel onbekend voorkomen.

Boeken als deze kunnen, zoals gezegd, niet mislukken. En inderdaad: The Fate of Rome leest als een trein. Harper (1979) heeft dan ook twee enorme troeven. Om te beginnen is zijn boek lekker breed van opzet. Samengevat komt het erop neer dat de bloeitijd van het Romeinse Rijk samenviel met gunstige klimaatomstandigheden, die rond 200 n.Chr. begonnen te veranderen. De veerkracht van de samenleving nam daardoor af en dat vormt de achtergrond voor de chaotische ondergang van het wereldrijk.

Het kreeg meer klappen. Harper wijst op de epidemie rond het jaar 165, die hij identificeert met pokken. Deze ziekte zou uit Afrika zijn gekomen, wat mede mogelijk werd doordat de Romeinen intensief handel waren gaan drijven over de Rode Zee. Een epidemie, lijkend op ebola, volgde een eeuw later en kon zich eveneens verspreiden langs de handelsroutes en de superieure Romeinse wegen.

Waren de gevolgen van de eerste ziekte nog beheersbaar geweest, de tweede leidde tot een diepe crisis, die maar met moeite werd overwonnen. Desondanks was de vierde eeuw een bloeiperiode, mede doordat het klimaat enigszins verbeterde.

Zoals bekend kampte het Romeinse Rijk in de vijfde eeuw met problemen die in het Westen eindigden met de desintegratie van het staatsapparaat. In het Oosten overleefde het echter – we spreken van het Byzantijnse Rijk – en dit keer was het een pestepidemie die, in combinatie met een klimaatomslag, alle veerkracht wegnam. De Byzantijnen waren daardoor in de zevende eeuw niet meer in staat om eerst weerstand te bieden aan een agressief Perzisch Rijk én vervolgens de Arabische invasies af te slaan.

Om dit alles te onderbouwen en te illustreren, haalt Harper uiteenlopend bewijsmateriaal aan, zodat The Fate of Rome minder een overzicht van epidemieën en klimaatverandering is dan een overzicht van de antieke cultuur. Soms laat hij echter een steekje vallen. De beschrijvingen van de christenvervolgingen na de derde-eeuwse ebola-achtige epidemie en van de Arabische expansie zijn wat kort door de bocht. Het boek zou inhoudelijk sterker zijn geweest met een team van auteurs.

Uiteenlopend bewijsmateriaal

Dan zouden we echter de tweede troef hebben gemist: het aanstekelijke enthousiasme waarmee één schrijver al het bewijsmateriaal presenteert. Echt nieuw is dat overigens niet: wie de afgelopen jaren het nieuws over de Oudheid een beetje heeft bijgehouden, weet wel ongeveer wat mogelijk is aan klimaatreconstructie en welke ziekten zijn geïdentificeerd. Het is echter nog nieuw genoeg om onderwerp te zijn van discussie en Harper is de eerste om te wijzen op de zwakke punten in zijn eigen betoog. Zo neemt hij de lezer mee bij het tastend zoeken dat wetenschap is.

Opmerkelijk is daarbij hoe hij twee doelgroepen verschillend bedient. Voor lezers met een oudheidkundige achtergrond legt hij uit hoe natuurwetenschappers tot hun conclusies komen. Mensen met een achtergrond in de natuurwetenschappen komen er daarentegen bekaaid vanaf: ze krijgen hun informatie over de Oudheid in hapklare brokken toegeworpen en leren niet hoe oudheidkundigen tot hun conclusies komen. Deze doelgroep zal het boek opzij leggen, versterkt in het vooroordeel dat oudheidkunde geen wetenschappelijke methode heeft. Harper schrijft dus vooral voor mensen met een oudheidkundige achtergrond. Iets meer ambitie was wenselijk, maar degenen voor wie hij schrijft, mogen blij zijn met dit enthousiaste boek, waarin alle recente inzichten eens mooi bij elkaar zijn geplaatst.