Recensie

Het hele verhaal zit in die kleverige telefoonhoorn

James Wood Criticus Wood houdt het klein in zijn tweede roman, over een vader en twee volwassen dochters, die de balans opmaken. ‘De overvloed aan leven in een verhaal schuilt in de details’, zei hij als criticus, en dat leeft hij na als romancier.

Wanneer een toonaangevend literair criticus een roman schrijft, denk je algauw: nu gaat hij laten zien hoe het moet. Tegen zo’n verwachting, waarin ontzag en scepsis broederlijk verenigd zijn, is geen boek bestand. Lezers van Upstate, de tweede roman van James Wood, moeten dus maar even vergeten dat Wood (1965) al jarenlang actief is als criticus, eerst bij The Guardian, tegenwoordig bij The New Yorker.

Upstate – dat in juni in vertaling verschijnt bij Querido – is geen machtsvertoon, geen vlammend voorbeeld dat auteurs wordt voorgehouden, maar een subtiele roman, intiem, menselijk, over een gescheiden vader en twee volwassen dochters die met vallen en opstaan hun weg in het leven hebben gezocht en die nu met z’n drieën min of meer worden gedwongen de balans op te maken.

Wood houdt van de verhalen van Tsjechov, en dat is te merken in de manier waarop hij zijn personages neerzet: als gewone, twijfelende mensen, geen helden; en zonder gebruik te maken van superieure ironie, nooit worden we uitgenodigd ons beter te voelen dan de mensen over wie we lezen.

Alan, de vader, een oude projectontwikkelaar wiens bedrijf in zwaar weer is terechtgekomen, reist van Engeland naar de VS, waar zijn oudste dochter Vanessa filosofie doceert aan een universiteit in Saratoga, upstate New York. Zijn andere dochter Helen, die voor een platenmaatschappij werkt, komt daar ook naartoe. Het gaat niet echt goed met Vanessa, die als puber al last had van depressies.

Het is winter, er ligt een dikke laag sneeuw, de vader en de twee dochters bewegen zich elk vanuit hun eigen wereld om elkaar heen in een stroeve dans waarin liefde en irritatie elkaar afwisselen en lang niet altijd uitgesproken worden.

De tegenstellingen tussen de dochters (depressief tegenover levenslustig) worden vrij schematisch neergezet, maar dat maakt Upstate gelukkig geen schematische of voorspelbare roman. Wood houdt het klein, zijn roman is eerder kamermuziek dan een symfonie. ‘De overvloed aan leven in een verhaal schuilt in de details’, zei hij in zijn Gids-lezing, die hij vier jaar geleden in Amsterdam gaf (en die al opgenomen werd in zijn bundel Tintelingen). Details zijn ‘het leven zelf’ omdat ze boven het verhaal uitstijgen en in ons, de lezer, voortleven. Upstate bevat diverse treffende details; het meest treffend is wel de kleverige telefoonhoorn in de hotelkamer van Alan. Die voel je aan je eigen lippen en het hele verhaal zit erin besloten.

Toch wringt er iets aan de roman: het is net of Upstate in een mal is gegoten die zowel te klein als te groot is. Er zijn bijfiguren en belevenissen die niet erg uit de verf komen. Als die waren geschrapt, was Upstate een kortere, kernachtige novelle geworden. Als ze nader waren uitgewerkt had dat een goede, lijvige roman kunnen opleveren. Nu hangt het boek ertussenin. Maar het ontroerende open einde maakt veel goed: opeens besef je dat die lijvige roman er wel degelijk inzit, en eigenlijk pas na de laatste alinea begint, in je eigen hoofd.