Menne Vellinga foto: Frank Ruiter

‘Het gaat om meer dan het handjevol omgekomen homo’s in de oorlog’

Lunchinterview Menne Vellinga (64) leidt al jaren op 4 mei de dodenherdenking bij het homomonument in Amsterdam. „Toeristen denken dat deze stad de gay capital is, dat is dus al heel lang niet meer zo.”

Wie de dodenherdenking op de Dam te massaal vindt – gemiddeld staan er om acht uur ’s avonds zo’n 20.000 man – kan uitwijken naar een alternatieve herdenking op een steenworp afstand. Minder bekend, minder druk en zonder koning en koningin, maar minstens zo plechtstatig. Bij de drie driehoeken van het homomonument aan de Westermarkt komen elk jaar meer mensen samen, vorig jaar waren het er om en nabij de tweeduizend.

Die ceremonie wordt sinds jaar en dag geleid door Menne Vellinga, 64 jaar. Hulpkoster van de Westerkerk, gids die toeristen in een elektrische sloep rondvaart door de grachten, maar bovenal vrijwilliger. Zo’n stille kracht die altijd opduikt als er iets te organiseren valt of een belang te behartigen. Hij zette zich net zo vanzelfsprekend in voor het gereformeerd jeugdwerk als voor de politieke tak van de homobeweging in de jaren zeventig, PPR Flikkers en Potten. En toen er een eigen radiostation, televisiezender, een Teletekstpagina, een krant en sinds kort een Facebookpagina en een YouTube-kanaal kwamen voor homoseksuelen, was hij een van de eersten om er inhoud voor te leveren. Onbetaald uiteraard.

Op het homomonument ontbreekt een bronzen ‘o’

Ruim dertig jaar geleden was hij een van de initiatiefnemers van het homomonument – het eerste en het grootste ter wereld – en nog altijd vaart hij zijn toeristenboot de knik van de Keizersgracht in om Amerikanen die vooral geïnteresseerd zijn in het nabijgelegen ‘AnFrenk-house’ te wijzen op het belang van zo’n monument voor de internationale homogemeenschap door de eeuwen heen. Recent ontdekte hij dat er een bronzen letter ‘o’ ontbreekt op de gedenksteen. Niet de o van homo – dat woord staat nergens op het monument – maar eentje uit de dichtregel van Jacob Israël de Haan: ‘Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen’. Voor het vier mei is, zal de missende o zijn vervangen, laat dat maar aan Vellinga over.

We zitten in het Lloyd Hotel in Amsterdam en drinken thee met verse munt en gember. Voor de gelegenheid heeft Menne Vellinga een uitdagend T-shirt aangetrokken met twee liefkozende mannen erop. „Had je het niet gezien?” vraagt hij en ritst zijn donkerblauwe schipperstrui open om er alsnog de aandacht op te vestigen. De hotelmanager komt hem aan tafel met drie zoenen begroeten. Hij steunt de alternatieve dodenherdenking in natura, zegt hij. De organisatoren mogen bij hem vergaderen. Dat zullen ze straks, na de lunch, weer doen. Maar eerst eten. Brood en soep voor hem, erbij een glaasje karnemelk.

De joden hadden een monument, de zigeuners, alleen wij nog niet.

In 1970 wilden twee homoseksuele mannen een krans leggen bij het Nationale Monument op de Dam. Ze werden gearresteerd. Hun officiële verzoek voor de kranslegging was eerder afgewezen, formeel omdat de termijn voor indiening was verstreken. Die gebeurtenis was niet dé aanleiding voor de komst van een homomonument, zegt Vellinga, maar het speelde wel mee. „De joden hadden een monument, de zigeuners, alleen wij nog niet.” De gemeenteraad stemde verrassend snel vóór een homomonument, alleen over de plek was even gesteggel. „We kregen een plek toegewezen op het Museumplein.” Maar daar was weinig animo voor, daar waren in de jaren zeventig al twee oorlogsmonumenten neergezet. In 1975 een voor de vrouwen van concentratiekamp Ravensbrück. En het beeld ‘Hel en vuur’ – in 1978 – voor Roma en Sinti die in de Tweede Wereldoorlog werden vermoord. „Met z’n allen op zo’n slachtofferkerkhof, dat wilden we niet.” Uiteindelijk viel de keus op het plein tussen de Westerkerk en de Keizersgracht. Ondenkbaar dat zo’n fraaie plek zo centraal in de stad nu zou worden vergeven, al was het maar omdat de grachtengordel inmiddels door Unesco tot Werelderfgoed is bestempeld. Zoals het ook bijna niet meer is voor te stellen dat de homowereld, die toen ook al uiteenviel in tig versnipperde clubjes, zo eensgezind een gedenkplek tot stand bracht waar iedereen zich in kon vinden.

Lees ook de column van Clarice Gargard: Wat betekenen die twee minuten echt?

Het homomonument werd „geen zieligheid op een sokkeltje”. Drie enorme granieten driehoeken, één aflopend naar de gracht, één verzonken tussen de kinderkopjes van het maaiveld, en één driehoek als een soort podium erboven. De drie niveaus symboliseren verleden, heden en toekomst van de homo-emancipatie, de kleur en vorm van het monument verwijzen naar het nazi-symbool voor homoseksuelen: een roze driehoek. „Zo’n driehoekje droegen homo’s in de jaren zeventig als broche.” Ja, hij had er ook eentje. Op zijn blauwe overall. „Mijn moeder ontdekte het toen ze de was in de machine stopte. Ze begreep toen wel hoe laat het was.” Hij moet halverwege de twintig zijn geweest. Oudste van drie jongens. Nooit ‘last’ gehad van zijn homoseksuele gevoelens. Niet op school, niet in de gereformeerde kerk, niet in militaire dienst.

Pas toen hij ging werken, bij kledingzaak Salty Dog, namen zijn collega’s hem mee naar nachtclubs en dansgelegenheden voor homofielen, „zo heetten we destijds”. Hij werd geïntroduceerd bij het COC, de belangenvereniging voor homoseksuelen. „Om er te mogen dansen, moest je lid zijn.” Dus werd hij lid, en meteen ook maar actief bij diverse commissies en besturen. „Studenten waren er oververtegenwoordigd. Ik was de enige werkende jongere. Later kwam er een trambestuurder bij, daar keek iedereen van op.” En zijn ouders – vader weg- en waterbouwkundige bij de gemeente Amsterdam, moeder huisvrouw – hoe namen die zijn geaardheid op? „Ze zijn zonder mij een lange strandwandeling gaan maken. Daarna hebben ze de kwestie nog eens besproken met een oudere, ongetrouwde zuster van mijn vader, tante Jo. Die was onderwijzeres, en zij heeft er blijkbaar verstandige dingen over gezegd. Wij hebben er nooit meer over gesproken. Het was zo.”

Gay capital

Het homomonument was af in 1987, en al vrij snel verzamelden zich er plukjes mensen op de avond van de vierde mei. Over hoeveel homoseksuelen er stierven in de Tweede Wereldoorlog lopen de schattingen flink uiteen. In Nederland zouden 160 mannen wegens homoseksuele handelingen door de Duitsers veroordeeld zijn. Een enkeling belandde in een concentratiekamp. Maar de meeste homoseksuele gevangenen zaten niet in een kamp wegens hun geaardheid, maar omdat ze ook communist waren, of in het verzet zaten. Vellinga: „Op vier mei gaat het om meer dan het handjevol omgekomen homo’s in de oorlog. Het gaat over de intolerantie jegens homo’s tot vandaag de dag.” Zelf is hij nooit een hand-in-handloper geweest – zijn vriend en hij zijn al veertig jaar samen – maar als hij het tegenwoordig twee mannen ziet doen, weet hij direct: dat zijn toeristen. „Die denken dat Amsterdam de gay capital is.” Hij snuift. „Dat is dus al heel lang niet meer zo.” De tolerantie van de buitenwacht is tanende, en ook de homogemeenschap zelf valt uiteen in „ieder z’n eigen cluppie”.

Lees ook het interview met Arnon Grunberg: ‘Herdenken wordt steeds ingewikkelder’

De spontane, wat chaotische herdenkingsbijeenkomsten is Vellinga gaan „stroomlijnen” vanaf de keer dat hij een herdenking bijwoonde bij het Indiëmonument in Amstelveen. Op 14 augustus worden daar de twee miljoen slachtoffers herdacht van de Japanse bezetting van voormalig Nederlands-Indië. „Er was een kleine kapel die ‘The Last Post’ blies, er waren toespraken, de kransleggers werden om de beurt afgeroepen. Heel plechtig.” Zoiets moest er ook komen op het plein naast de Westerkerk. „Ja, daar sta je tussen de taxi’s op de standplaats, een urinoir, de persleiding van de riolering en de viskraam. Maar zo is de plek bedoeld, het is geen steriele omgeving.”

Intussen wordt ‘zijn’ Dodenherdenking bezocht door de homo-vertakkingen van justitie-, brandweer-, politie- en ambulancepersoneel. Defensie stuurt een vertegenwoordiging van land-, lucht-, en zeemacht. En vorig jaar was er voor het eerst een homo-delegatie van de belastingdienst present. „Bij gebrek aan een uniform hadden ze nette pakken aangetrokken.” Voorafgaand aan de twee minuten stilte is er altijd een stille tocht, een „rondje rond de kerk” met een bescheiden blaaskapel en een commandant, langs het huis van Anne Frank en over de brug vernoemd naar de oprichter van het COC weer terug naar het homomonument. „Er werd geklaagd dat de mannen en vrouwen in uniform de bijeenkomst wel erg domineerden.” Sindsdien mag elke regio nog maar twee geüniformeerden per onderdeel afvaardigen.

Lees ook dit twistgesprek over wie er eigenlijk herdacht moet worden op 4 mei

Tot grote vreugde van Vellinga lukte het hem in 2012 voor het eerst een hoogwaardigheidsbekleder te strikken voor de plechtigheid. Minister Marja van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) kwam een toespraak houden, waarin ze memoreerde dat haar zoon een homoseksuele huisgenoot had, en dat ze zo „fier” waren om uit het raam van hun studentenhuis een regenboogvlag te hangen. Kransen zijn er ook, veertig als het er niet meer zijn. Elke politieke partij in de gemeenteraad legt een eigen bloemstuk. Onbegrijpelijk, vindt Vellinga. „Zo’n krans kost algauw tweehonderd euro. Waarom niet gewoon één krans met meerdere linten eraan, zoals de militairen doen?”

Een vorige keer mocht hij nog een transvrouw van Marokkaanse afkomst verwelkomen, ze kwam er speciaal voor uit een asielzoekerscentrum in Limburg gereisd. Het heeft heel wat heen- en weer gebel gekost, maar uiteindelijk vergoedde het COA (centraal orgaan opvang asielzoekers) haar treinkaartje. Ook dit jaar heeft Vellinga geprobeerd homoseksuele moslims en vluchtelingen erbij te betrekken. Organisaties als Secret Garden en Asylum Support hebben belangstelling, dat is het probleem niet. Maar probeer maar eens iemand te vinden die naar zo’n openbare bijeenkomst durft.

Voor een stille kracht is Vellinga behoorlijk spraakzaam. Bijna een halve eeuw vrijwilligerswerk laat zich slecht samenvatten. De vraag waarom hij doet wat hij doet, hoeft eigenlijk niet gesteld te worden. „Ik ben zo.” Glunderend verklapt hij dan wat hij eigenlijk zelf nog niet eens had mogen weten. „Hier en daar heb ik wat opgevangen… Volgens mij hangt er een lintje in de lucht.”

    • Rinskje Koelewijn