Opinie

    • Joyce Roodnat

Goud zoeken, tranen vinden

Joyce Roodnat

Goudzoeker Daniel J. Butler, 1850. Foto National Gallery of Canada

In het fotomuseum Foam zie ik adembenemende portretten van Amerikaanse en Canadese goudzoekers in de tweede helft van de 19de eeuw. De expositie heet Gold and Silver. Ik denk aan kindsterren. De waanzin rond Shirley Temple begon niet in Hollywood, maar zo‘n tachtig jaar eerder, in de goudzoekersdorpen. Daar dansten en zongen kleine, door hun ouders geëxploiteerde, meisjes op tafels in hotels, gokhuizen en saloons, voor grove kerels die hun tranen de vrije loop lieten. De artiestes werden toegejuicht. Rondgereden in een koets en de mannen renden mee. Ook de latere filmster Mary Pickford vierde er haar eerste triomfen, ze was zes en heette ‘Baby Gladys Smith’.

Heel vreemd, vond ik altijd, maar bij deze foto’s van mannen die collectief bevangen zijn door the muck called gold, snap ik eindelijk iets van dat uitzinnige sentiment voor die kinderen. Ik zie ongetemde baarden. Ik zie kleren, stijf van het vuil. Ik zie doodmoeie gezichten. Ik zie ogen vol achterdocht en ogen vol „dreams beyond control”, om met Bob Dylan te zingen. En dan is vertedering door een zesjarig danseresje in een kanten jurkje een veilige uitlaatklep.

Tegelijk met de goudkoorts brak het op de foto gaan door. Het zijn de oerfoto’s: daguerreotypies. Fotografische beelden op een verzilverd koperplaatje, beschermd door een stukje glas. Klein, haarscherp. Kwetsbaar als het leven zelf.

De portretten op deze expositie zijn gemaakt door de commerciële daguerreotypisten die, van Californië tot Alaska, op hun manier fortuin maakten. Poseren was stilzitten en staren. Wie staart, laat zich kennen. Goudzoeker zijn is een romantische idee – tot je er zelf een bent, dan is het doffe ellende. Maar laat je een foto maken om naar huis te sturen, dan heb je de kans om alsnog aan de mythe te voldoen: je acteert hem, geholpen door de man achter de camera. Deze daguerreotypies zijn gebruiksvoorwerpen, kunst was de bedoeling niet. Maar ze mondden uit in schoonheid en inzicht in de menselijke existentie. En dat is precies waar kunst op mikt.

Ik loop binnen bij het Scheepvaarthuis aan de Amsterdamse Prins Hendrikkade. Dat is een art-decomonument van jewelste. Maar het is ook een hotel, dus iedereen kan er even gaan kijken. Gewoon doen, ze zijn eraan gewend. Ze hebben er net een nieuw glas-in-loodplafond. De Nederlandse designer Christie van der Haak ontwierp het in opdracht van de eigenaar. Het is wonderlijk hoe haar plafond zich voegt naar de art deco en toch duidelijk een eigen stijl heeft. Met provocerend rood en kolkende vormen, geen jaren-20-art-decofiguur zou het in zijn hoofd halen.

Design ergert me als het zich geneert voor zijn toegepaste karakter. Zo vind ik de bekende citruspers van Philippe Starck een lachertje. Een spin op hoge poten. Aanstellerige vorm en een betere pers werd het er niet van.

Christie van der Haak heeft het art-decoplafond in het Scheepvaarthuis vast als kunst bedoeld. En dat is het ook. Het is ook dienstbaar, het past bij de rest. Het siddert op de grens ertussen. Het is spannend.

    • Joyce Roodnat