opinie

    • Georgina Verbaan

Goedemiddag

Jasje, dasje, gestreken broek, lange rok, torsobedekking die het midden houdt tussen een T-shirt en een overhemd, een echt overhemd, een jas zonder gaten en kattenharen, een boodschappenmand, gekamde haren, vetvingervrije bril, rechte tred, schone schoenen, zo’n ingewikkeld hupsje de fiets op met kundige benen die met het grootste gemak een ingewikkelde wisseltruc doen om daarna kaarsrecht weg te fietsen, geen in het oog springende psychiatrische problemen, geen tattoo’s, geen alcoholwalm, geen motten.

En toch allemaal geen garantie op fatsoen. Dat frappeert mij. Dat zou mij niet moeten frapperen, maar dat doet het toch omdat ik hier om en nabij mijn opa beschrijf. Op de lange rok, de boodschappenmand en het T-shirt na dan. Opa droeg buitenshuis liever een clownspak dan een T-shirt. Ook droeg hij een hoed. Een deukhoed. Die lichtte hij voor passanten. Of het nu vreemden waren of niet. ‘Goedemorgen/middag/avond’, knikte hij dan. Ook floot hij deuntjes. In zijn overjas.

Zijn onberispelijke hoeden, jassen en wandelstokken hingen, lagen en stonden in de gang. Daar was ook een imposante collectie kleding- en schoenborstels te vinden, die ik graag betastte. Zachte haren, harde haren, en ik meen mij iets van ivoor te herinneren. Dat is minder fraai, als het echt was. Wat ik me niet kan voorstellen, omdat opa en oma niet rijk waren. Ze waren keurig, beleefd. Hoewel oma op latere leeftijd nog weleens wilde voordringen en daar bejaarde verwarring als dekmantel voor gebruikte. Dat groeten heeft opa halsstarrig volgehouden, en leverde nog weleens wantrouwende blikken op. ‘Wat moet die vent van me?’ In een druk winkelgebied hield hij zich in, maar de passant in een verder lege straat mocht altijd even onder zijn hoedje kijken. Automonteurs, tieners met getoupeerde haren, glazenwassers, vrouwen in boerka, opa wenste iedereen een goede dag.

Ik probeer mijn buren te groeten, hoeveel angst mij dat ook aanjaagt

Ik zou willen zeggen dat ik dat van hem heb overgenomen, maar ik ga doorgaans gebukt en haastig over straat. Behalve in mijn eigen straat. Ik probeer mijn buren te groeten, hoeveel angst mij dat ook aanjaagt. De man met de borstelwenkbrauwen en de trage hond zegt altijd gedag. Soms maken we een praatje. Zelfs de in het zwart geklede kluizenaar die toch af en toe bier en witte bonen in tomatensaus moet halen zegt altijd hallo. Behalve het enige keurig aandoende oudere echtpaar dat hier woont. (Onder het wakende oog Gods, want ik loer in het voorbijgaan weleens naar hun inrichting.) Ze zijn altijd wel hun stoepje aan het boenen of met een van hun propere boodschappentassen naar de glasbak aan het lopen, maar zodra ze me zien fixeren ze een hautaine blik op een imaginaire einder, want die is helemaal niet te zien in dit kleine Amsterdamse rotstraatje. „Goedemiddag”, zeg ik dan. En dan niets. Al zes jaar lang. Ik ben steeds harder gaan groeten. Voor het geval ze doof zijn. Vorige week was de man een plant aan het snoeien. Hij zag me aankomen en stortte zich licht woedend op het arme ding. „Goedemiddag”, zei ik. Niks. Ineens hield ik stil. „Ik zei: GOEDEMIDDAG.” Hij keek op. Verward. Boos. Zocht toen steun bij zijn plant. De plant zei niks. „Gumddmdg”, gromde hij binnensmonds. Ja, ik krijg die aso’s wel opgevoed hoor.

    • Georgina Verbaan