Flaneren moet je leren, zeven lessen om zorgeloos te slenteren

Essay Door een stad lopen zonder ergens naar onderweg te zijn, is nog best lastig, merkte Christiaan Weijts. Maar wat zie je veel als je het eenmaal kunt.

Foto Merel Schoneveld

Net toen het lenteweer kwam, gingen ze mijn straat openbreken. Geen steen bleef in de grond. Omdat de hele operatie – met graafmachines, drilboren en trilplaten – nog weken gaat duren, ontvluchtte ik het kabaal. Sindsdien dwaal ik overdag door de straten van Den Haag.

In het begin viel dat nog niet mee. Het blijkt verdraaid lastig om door een stad te lopen zonder ergens naar onderweg te zijn. Ik maskeerde dat door de tijdspanne op te breken in vertrouwde schijnbestemmingen: het Hema-2 euro-ontbijt, de openbare bieb, het café, de strandtent. Lezen en schrijven, het enige wat ik kan, is overal mogelijk.

Op mijn derde dag passeerde ik aan het Voorhout een standbeeldje: Flaneur van Theo van der Nahmer. Galant z’n hoed afnemend boven de uitgebloeide krokussprietjes. Aan de overkant stond Louis Couperus in glimmend brons een Hagenaar te zijn. Flaneren: ‘zorgeloos rondslenteren om te kijken en gezien te worden’, zegt Van Dale, en inmiddels stellen we ons er inderdaad dit soort dandyeske heertjes bij voor. Maar de oorspronkelijke flânerie, zoals die in het negentiende-eeuwse Parijs was ontstaan, beperkt zich juist niet tot boulevards, pleinen en aanverwante plekken om ‘gezien te worden’.

Het gekke is dat we online wél vele uren per week voor die nutteloze willekeur weten vrij te maken

De Franse dichter Charles Baudelaire, vaak aangehaald als een soort founding father van het flaneren, noemt in een essay uit 1863 „de volmaakte flaneur” juist „een vorst die overal van zijn incognito geniet.” Zijn streven: „Buitenshuis te zijn en zich toch overal thuis te voelen; de wereld te zien, in het middelpunt van de wereld te staan en toch voor de wereld verborgen te blijven.”

De flaneur gebruikt de stad als huiskamer. Kan zoiets tegenwoordig nog? De enige moderne flaneur die me te binnen schiet is Teju Cole, die in zijn boek Open City (2011) een jonge Nigeriaanse psychiater doelloos door uiteenlopende buurten van New York laat struinen, „door een winkelende en werkende menigte, door wegwerkzaamheden en het getoeter van taxi’s”, en zo een mijmerend essayportret van de stad schildert.

Doelloos flaneren, dat moest mijn doel zijn. Wat deed ik hier nog? Het ware flaneren gaat dwars door alle rangen, standen en sociale grenzen heen. En Den Haag mag dan geen New York zijn, het is wel een van de sterkst gesegregeerde steden van ons land. „Elke honderd meter begint Den Haag opnieuw”, beweert Harrie Jekkers vaak in interviews.

Les één: dwing jezelf tot doelloosheid

Sla willekeurige straatjes in, negeer de highlights. Toeristen flaneren niet. Die bezoeken de voorgeschreven monumenten die de flaneur juist links laat liggen. Die doelloosheid staat volslagen haaks op onze tijdgeest van nut en rendement en is daarom zo bevrijdend.

Zodra ik het centrum uit ben, ben ik in een buurtje met kale flats, brede tegelpleinen, met toch overal bordjes met ‘verboden te voetballen’. De flaneur is geen socioloog, dus het gaat mij niet om de hangende jongeren op de scooters, maar om de verscheidenheid aan manieren waarop de stalen balkonnetjes huiselijk zijn gemaakt, met bloemmotief bedrukt plastic in de spijlen gevlochten, met vogelhuisjes, met bierkratten.

Wie betekenis zoekt in plaats van geluk vindt zijn leven zinvoller, zegt de Amerikaanse psycholoog Emily Esfahani.

Bij elke kruising groeit het genot dat geen enkele beslissing – rechts, links of rechtdoor – enig gewicht heeft. Ik ben vrij. Hoewel ik zelfstandig freelancer ben, is ook mijn bestaan behoorlijk strak gestructureerd rond schooltijden en deadlines, en zo’n doelloze wandeling is een tegenwicht. Als je het verkoolde woud aan burn-outs in onze vrienden- en kenniskringen ziet, realiseer je je dat de vergeten kunst van het flaneren heilzaam kan zijn.

Les twee: beschouw flaneren als fysiek clicken, swipen en scrollen

Want het gekke is dat we online wél vele uren per week voor die nutteloze willekeur weten vrij te maken. Verplaats dat rondneuzen eens naar de echte wereld, waar het bewegen ook nog eens je creatieve denken vrijmaakt.

Dus flaneer ik door de Schilderswijk, over de lange Hoefkade waar voor de buurtkruideniers het fruit ligt uitgestald in plastic kratten en waar de geur van bakkersgist vermengt met die van schoonmaakmiddel op de warme pas geschrobde stoep waaruit een stoffige aardegeur vrijkomt. Opgewonden stemmen van mannen voor een koffiehuis. Een scootmobiel geparkeerd onder een hoes vol gaten. Metalen karren rammelen over de stoeptegels. Precies wat ik laatst nog verrukt stond te fotograferen in de Berlijnse wijk Friedrichshain-Kreuzberg. Het rommelig geïmproviseerde leven bevindt zich ook gewoon om de hoek.

Les drie: versmelt met de menigte

Baudelaire schrijft: „Een te worden met de menigte, dat is zijn hartstocht en beroep. Voor de volmaakte flaneur, de hartstochtelijke waarnemer, is het een ontzaglijk genot om zich te vestigen in de massa, in de golving, de beweging, het vluchtige en oneindige.”

Op maandagochtend kan dat vooral op één plek waar de de mensenstroom me ongemerkt heen heeft gevoerd: de Haagse Markt. Langs glimmende vissen op ijs, langs groente in aluminium bakken en langs kraampjes met afgedankte spulletjes stroomt de menigte. Dik in gewaden ingepakte vrouwen naast zonnebrilmeisjes in fladderjurkjes. De werktuiglijk opgewekte kreten van de marktkooplui lijken een soort vraag-en-antwoordkoor: „Kiwi’s ananassen aardbeien een kilo’tje…!” „Lékkere békken!” Een gangster-rapper-achtige figuur sjokt met een gorillaloopje langs, petje, kettingen, en een gifgroene papegaai op z’n schouder.

Foto Merel Schoneveld

Cultuurfilosoof Walter Benjamin noemde de flaneur „de botanist van het trottoir”. De stad wordt een natuurlandschap, waarin je de verschillende types observeert. Op de Markt kan dat het beste. Daarbuiten is het opvallend hoe opgesloten we zitten in onze eigen wijkjes, met amper benul van het geheel en hoe die afzonderlijke stadseilanden met elkaar verbonden en vergroeid zijn.

Uren later blijk ik, via de Haagse bosjes, in een villabuurtje te zijn beland. Ruim opgezet, vol oude bomen. Hier is het Willem Royaardsplein, waarvan ik me ineens herinner dat Frédéric Bastet, de biograaf van Couperus, eens beweerd had dat alleen hier nog iets terug was te vinden van diens tijd. Bij de koffiehuizen zitten oude dames in rolstoelen, achterover naar de zon toe gekanteld, naast verpleegkundigen. Place des Invalides, wordt het hier ook wel genoemd. Op de stoep markeert een bordje de voetgangerszone. Daaronder de tekst: ‘Toch fietsen € 55 / Toch snorren € 95 / Toch brommen € 95’. Ik fotografeer het, en oogst de digitale likes.

Les vier: ga goed maar onopvallend gekleed

Om je anoniem in de menigte te vestigen, moet je nergens uit de toon vallen. In het oorspronkelijke flaneren mogen de straten dan wel geen catwalk zijn, dat betekent niet dat elke elegantie achterwege moet blijven. Flaneren is iets anders dan de hond uitlaten.

Floor Rusman, wachtkamerfan, bezingt de onvermoede voordelen: Een positief bij-effect: het schept ruimte voor nieuwe gedachten

Zelf merk ik na een paar dagen dat het advies van een Italiaanse kleermaker uit Florence nog altijd het beste werkt: schoon overhemd, gepoetste schoenen. Als John Keats zich somber voelde, hoefde hij alleen maar een nieuw overhemd aan te trekken. En het werkt. In die uitrusting ben ik zowel in Schilderswijk als in Statenkwartier onopvallend, en ik ga er vanzelf meer rechtop lopen, geïnteresseerd, opgewekt. Want daar gaat het om. Baudelaire noemt de flaneur iemand die „geen enkel aspect van het leven afgezaagd vindt”, die overal een kinderlijke blik op heeft, „een waarneming die scherp en magisch is”. Om ook eens een flaneuse te citeren, schrijfster Colette (1873-1953) omschreef dit het allermooist: „Nooit kijken we genoeg, nooit zullen we genoeg, precies genoeg, gepassioneerd genoeg kijken.”

Les vijf: proef de sferen

De flaneur is niet op zoek naar kennis maar naar ervaringen. „De grote overblijfselen uit het verleden”, schreef Walter Benjamin in 1929, „de historische frissons – voor de ware flaneur zijn ze oude rommel die hij graag aan de toeristen overlaat. En al zijn kennis van kunstenaarswoningen, geboortehuizen of vorstelijke paleizen wisselt hij graag voor de lucht van één enkele verweerde drempel of het aanraken van één enkele tegel, datgene wat de eerste de beste hond met zich meeneemt van een plek.”

In Den Haag is elke buurt uit weer ander gesteente opgetrokken, met een eigen akoestiek, een eigen geur, een eigen soortelijk gewicht. Waar ligt dat aan? Waarin zit hem de overgang? Gaat het om de huisnummerbordjes die ineens niet langer afgebladderd zijn als je terug in het nette centrum komt? De gevelornamenten die ineens weer glinsteren in de witte verf?

Flaneren is oog hebben voor specifieke details én voor de stad als geheel

Wat maakt de typische sfeer van een buurt? De duistere machten van een stad, die zich niks van stadsplanning aantrekken, werken onmerkbaar traag op de straten in. Alles wat er ooit is gezegd, gedroomd, gebeurd, verhandeld en uitgevochten bouwt mee aan de atmosfeer en blijft er rondspoken. De geheimzinnige discretie en medicinale geuren in de straten met Aziatische acupuncturisten en massagesalons. De gelaten blik in de ogen van twee vrouwen voor een speelgoedwinkel in de oude kern van Scheveningen: ze blijven iets houden van het standbeeld van de vissersvrouw. In hun genen blijft het besef rondwaren van mannen die niet zijn teruggekeerd van zee. Of verbeeld ik me dat? Rondwandelen is immers kijken door een sluier, „waar doorheen de vertrouwde stad voor de flaneur overgaat in fantasmagorie”, volgens Walter Benjamin.

Les zes: zie de stad als een organisme

Ook stelde Benjamin eens voor om de geschiedenis van Parijs te versnellen tot een film: „Van de samenballing van een eeuwenlange beweging van straten, boulevards, galerijen en pleinen in een tijdsbestek van een halfuur. En doet de flaneur niet precies dat?”

De flânerie is een betrokken interactie met de stad, die tegelijkertijd iets onthechts heeft, merk ik. Overal ben ik een passant. Ik praat kort met automonteurs, ambtenaren en visverkoopsters. Het heden, met al die details, heeft iets terloops. Daardoor ga je je als vanzelf op een andere tijdsschaal richten: soms voel ik me even oud en traag levend als de stenen van de stad waar ik mee versmelt.

Foto Merel Schoneveld

Na een week voelt de stad haast aan als een organisme, met haar eigen metabolisch systeem. Ze slurpt vis naar binnen door de mond, de Scheveningse haven. Ze absorbeert de voedingsstoffen via de bloedbanen van de straten, stegen en kanalen. Ze scheidt de ontlasting uit op de vuilstortplaatsen van de Binckhorst. Soms loeit een ambulance langs, met een vervormde sirene, om ergens een wond te stelpen.

Flaneren is oog hebben voor specifieke details én voor de stad als geheel. Het is een dubbelfocus van twee extremen. Andere stervelingen, die met een doel voor ogen in de stad van A naar B gaan, stellen altijd scherp op een zone ergens tussen die twee in. Het functionele perspectief op een functionele stad.

Heb je toch meer zin in doelmatig wandelen? Loop dan de NRC-seizoenswandeling: wandelen door de Bollenstreek

Les zeven: verwacht er geen wonderen van

Kan het nog wel, de uitbundigheid van het alledaagse leven betrappen, sferen proeven, versmelten met de menigte? Op de meeste plekken is de stad of vol met doelgerichten of met lanterfanters van telkens één specifiek slag, of het nu toeristen, bejaarden of ambtenaren in hun lunchpauze zijn. De plekken waar die groepen samenkomen, waar het doordeweekse leven straattheater is, worden zeldzaam.

Die werkelijke Baudelairiaanse verrukking heb ik eerlijk gezegd maar één keer gehad, volslagen onverwacht. Ik had de gedachte aan dat flaneren al weer losgelaten. Het was in Rotterdam, en ik had een half uurtje te overbruggen voor een literair optreden. Op een hoek van de Witte de Withstraat drink ik aan een klein tafeltje een witbiertje in de avondzon. De stad trekt voorbij in al haar gekte, uitbundigheid, maar vooral in alle mogelijke kleuren, maten en gradaties van schoonheid. Dit is goddelijk flaneren zoals flaneren moet zijn. Even is het alsof dit wervelen nooit zal ophouden, of niemand van deze jonge, oude, mooie, lelijke, slonzige, hippe, chagrijnige, elegante mensen ooit zal sterven.

Wie mij in dat onbekommerde hoekje van de stad had gezien, had het ongetwijfeld van mijn gezicht kunnen lezen. De blik die Baudelaire beschrijft als „de gefixeerde en dierlijk extatische blik voor het nieuwe”. Het duurt hooguit drie minuten.

’s Nachts, thuis, staan de verlaten graafmachines in het zand van mijn opengebroken straat, als paarden op stal. Ooit zullen ze wegrijden. Ik zal ze dankbaar nakijken, want ik zal de flânerie waar ze mij toe dwongen, blijven voortzetten.