Recensie

Een welluidend pleidooi voor tevredenheid

Essayistiek

In haar nieuwe essaybundel zoekt Marjoleine de Vos de essentie van het bestaan in alledaagse dingen. Zelfs als het over garnalen gaat, levert dat veel moois op.

Foto Istock

Bijna zou je op de eerste bladzijde van de essaybundel Doe je best van Marjoleine de Vos het boek meteen weer dichtslaan. ‘Het gaat mij om zoiets als de waarheid over ons bestaan’, staat daar plompverloren. Zo pompeus maak je het zelden meer mee. Een beetje ironischer kan ook wel, ben je geneigd te zeggen.

Ten onrechte. Allereerst omdat die vraag naar de waarheid van het bestaan al veel te lang in lacherigheid is gesmoord. En ten tweede omdat De Vos in haar essays elke hoogdravendheid schuwt. Het bijna verontschuldigende ‘zoiets als’ wijst daar al op. De waarheid is, als het aankomt op de betekenis van het leven, veel te massief en bestaat misschien niet eens. Als er al iets is dat daarbij in de buurt komt, dan ligt het verstrooid over ogenblikken, gebaren, doorkijkjes, en snapshots, betrapt in de alledaagsheid van het leven: het genre dat de Nederlandse schilderkunst in haar gouden eeuw zo uitgesproken ‘Hollands’ maakte.

Het alledaagse, een vlieger

De beeldende kunsten spelen in de essays van De Vos geen grote rol. Des te meer doet dat de poëzie: geen wonder voor een auteur die zelf ook dichter is. Ook daarin zoekt zij veelal het alledaagse: eten en drinken, een vlieger, een kind op vaders fiets. Nauwkeurig ontleedt ze wat er in die tafereeltjes gebeurt. Of eigenlijk is ‘ontleden’ het goede woord niet. In haar meanderende beschouwingen houdt De Vos zich ver van alle analytica. Eerder laat zij zich verzinken in haar onderwerp (van Griekse mythen tot J.S. Bach of het geluk van het garnalen-eten) om daarna verrast om zich heen te kijken.

Je kunt dat naïef noemen, maar het is wel een meeslepende naïviteit, die misschien beter dan veel pientere filosofie iets duidelijk maakt waar ‘de waarheid van het bestaan’ ongeveer te vinden is. Neem de tevredenheid: nog zo’n onmodieus onderwerp waar De Vos een welluidend pleidooi voor houdt. Onnozel is dat, in weerwil van de ironie die meteen de kop opsteekt, allerminst. ‘Die tevredenheid, dom als ze klinkt, moet nu juist veroverd worden op de pijn van het verlies’, schrijft De Vos. Pas dan mag ze een plaatsje krijgen in de galerij van waarheidsmomenten.

Dan kunnen ook beschouwingen over het proces-Demjanjuk harmonisch samengaan met hongerig makende beschrijvingen van lekker eten (die garnalen!) of de aanblik van een tuin die pas écht mooi wordt wanneer je er samen met een vriend op een bankje naar zit te kijken. Etty Hillesum komt even voorbij, met haar belijdenis dat ondanks alles iedere minuut van het leven voor haar de moeite waard is – ‘en er is veel “alles” in haar geval’, vult De Vos aan. Maar dat schrikwekkende ‘alles’ heft die minuut niet op. Zeggen dat het uiteindelijk toch weer altijd op miserie uitdraait, is misschien wel het grievendste verraad dat je zou kunnen plegen jegens het genereuze leven dat doet wat het kan – maar het altijd moet afleggen tegen de logica van alles of niets.

Zo zegt Marjoleine de Vos het niet. Zo zeg ík het, nog altijd belast met de erfzonde van de wijsbegeerte die meer vertrouwt op exactheid dan op poëzie. Er moet van de filosofie heel wat worden afgepeld wanneer het om de echte bestaanswaarheid gaat: zu den Sachen selbst, om een filosoof te citeren die daarmee iets heel anders bedoelde. Liever spreken we over de ‘eigene, allereigenste Sache’ waar het de dichter Paul Celan om te doen is in ieder afzonderlijk vers. Iets dat steeds eenmalig is, als een blik of een lichtval of een stilte in een gesprek, en waarin zich een soort van eeuwigheid verbergt.

Dat zoiets alleen maar te betrappen is in het onooglijkste, maken de essays van Marjoleine de Vos op bijna achteloze wijze duidelijk. ‘We reiken naar het ideaal’, schrijft ze. ‘We vormen ons naar het volmaakte, maar we wórden natuurlijk niet volmaakt. Stel je voor. We leven. En we doen wat we kunnen.’