Opinie

Dit onderwijs produceert oprotzesjes en bullshitbanen

Geen wonder dat onze jongeren de minst belezen, minst algemeen ontwikkelde en meest goedgelovige generatie zijn sinds de Tweede Wereldoorlog, schrijft in reactie op het rapport van de Onderwijsinspectie.

Het recente rapport van de Inspectie van het Onderwijs De staat van het onderwijs, waarin werd gemeld dat het niveau van het Nederlandse onderwijs al twintig jaar over de hele linie daalt, is niet onopgemerkt gebleven.

De reacties varieerden van alarmistisch tot sussend. Zo meende Piet de Rooy (NRC, 20 april) dat het beter gaat dan de inspectie doet voorkomen en betoogde Ewald Vervaet (Onderwijsblog op nrc.nl, 25 april) dat jongeren nu eenmaal veel te jong moeten beginnen met leren. Intussen is de onbetwiste kern van de zaak dat Nederlandse kinderen thans slechter lezen en rekenen dan hun ouders. En o ja, ook het niveau van het onderwijs in natuurkunde, kunst en gymnastiek is veel minder dan twintig jaar geleden.

Wie wil verklaren waarom de Onderwijsinspectie – geen onafhankelijke organisatie, maar een orgaan van het ministerie van OCW – de neergang nu pas waarneemt, stuit op twee kwesties. Juist in 2017 werd een nieuwe methode van toezicht met ‘nieuwe onderzoekkaders’ ingevoerd, na aanmoediging door de initiatiefwet ‘Doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht’ van de Tweede Kamer. En wellicht heeft ook een rol gespeeld dat de afgelopen jaren talrijke school-inspecteurs zijn ontslagen, terwijl er miljoenen werden gestopt in een automatiseringssysteem voor het digitaal volgen van onderwijsprestaties. Ik bedoel zo’n ict-systeem dat meldt dat alles ‘prima’ is als je tijdens de ‘zelfevaluatie’ klikt op ‘prima’.

Geen natuurverschijnsel

Hierbij is het niet overbodig vast te stellen dat de neergang van het onderwijs geen natuurverschijnsel is, maar het resultaat van menselijk handelen. Het gaat dan behalve om het handelen van politici vooral om het handelen van bestuurders, managers, toezichthouders, onderwijsraden, adviesinstanties, expertisecentra, onderwijskundigen, ja van die hele parasitaire laag die zich met een fatale vermenging van ideologie en belangen in het onderwijsveld kon ingraven dankzij de overheid.

Die deed enkele decennia geleden omwille van de marktwerking afstand van directe financiële en bestuurlijke verantwoordelijkheid, overigens zonder te stoppen met de stroom wetgeving, ideetjes en andere regelzucht.

Zulks is trouwens ruimschoots al aan de orde gekomen in het parlementair onderzoek naar het onderwijs in 2007 door de Commissie Dijsselbloem. Omdat de uitkomsten hiervan direct zijn vergeten, is het geen wonder dat het ‘afroompercentage’ dat het onderwijsmanagement zichzelf toekent uit de overheidsgelden nog steeds groeit ten koste van de middelen die naar lerarensalarissen gaan. Dit is een cruciaal punt: de competentie van de overheid greep te houden op het veld is lachwekkend gering vergeleken met de competentie van de managers om greep te houden op de overheidsgelden.

Overigens zat de overheid tijdens de afgelopen decennia niet stil. Sinds de invoering van de Mammoetwet (1968) volgde een cascade van onderwijshervormingen: middenschool (mislukking), basisvorming (echec), studiehuis (fiasco), Tweede Fase (catastrofe), competentiege-richt leren (cataclysme). Plus het debacle van het vmbo waarvoor de prima functionerende mavo werd geofferd, alsook de outputfinanciering in het hoger onderwijs – het financieren van universiteiten op basis van aantallen studenten en diploma’s – die misschien wel de moeder van alle neergang is.

Beleidsmakers met declaratieformulieren

We kunnen de verantwoordelijken voor deze lange zelfdestructie gewoon aanwijzen: ministers van Onderwijs, voorzitters van onderwijsraden, bestuurders, managers en onderwijskundigen – allemaal beleidsmakers met een naamkaartje en declaratieformulieren.

Interessanter is dat de symptomen van het dalende onderwijsniveau ondertussen al behoorlijk zichtbaar worden in het openbare leven. Voor wie wel eens kijkt naar de Nederlandse televisie of in een krant, begrijpt onmiddellijk wat de Onderwijsinspectie bedoelt met ‘neer-gang’ en ‘afglijden’ en ‘gebrek aan intellectuele inhoud’.

En men begrijpt tevens de achtergrond van op universiteiten ingevoerde maximale ‘leesbelasting’ van vijf pagina’s Nederlands en vier pagina’s Engels per uur (van Franse en Duitse teksten weten studenten het bestaan niet meer), alsook het gegeven dat in Nederland zowel de ontlezing als de boekenverkoop veel rigoureuzer daalt dan in omringende landen.

Het financieren van universiteiten op basis van aantallen studenten en diploma’s is misschien wel de moeder van alle neergang

Het is niet zeker dat dit alles ‘erg’ is. De neergang van het onderwijs resulteert immers in een zonderlinge cocktail van een krimpende culturele horizon, intellectuele kaalslag, sociale rust en persoonlijk geluksgevoel. Wat wel opvalt, is het gemak waarmee de (snel verdwijnende) geletterde bovenlaag buigt voor deze ontwikkelingen.

Natuurlijk, we weten allang dat de universiteiten werken met oprotzesjes om de outputfinanciering op peil te houden. En dat talrijke academische opleidingen de afgelopen jaren tot wel twintig procent van het curriculum schrapten om de uitval-targets te halen. En dat het hoger onderwijs de ogen heeft gesloten voor het feit dat zowat de helft van de studenten geen begrijpelijk Nederlands kan schrijven, zoals iedereen merkt die scripties leest of meeleest. En we weten ook van de proliferatie der bullshitbanen om al die afgestudeerden een dagbesteding te geven als verandermanager, inspiratiecoach of cultuurmarketeer.

Maar nieuw in de zelfmutilatie is het pleidooi van de Amsterdamse emeritus hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Marita Mathijsen in de Volkskrant (14 april). Zij betoogt dat ten behoeve van de studenten de klassieke werken uit de literatuur dienen te worden ingekort en versimpeld. Ze heeft gemerkt „dat zelfs studenten Nederlands steeds minder plezier beleven aan Couperus en Multatuli”, die ze „langdradig en vervelend” vinden, net als Reve en Mulisch. Haar oplossing: „tv-series van maken”.

Zo is het is geen wonder dat de huidige jongeren de minst belezen, minst algemeen ontwikkelde en meest goedgelovige generatie vormen sinds de Tweede Wereldoorlog. Zij zijn de slachtoffers van die woekerende Nederlandse traditie van anti-intellectuele collaboratie door de hoger geschoolden.