Recensie

Dichten en duiden tegen het verzuipen

Peter Verhelst

Wat lijkt te beginnen als Verhelsts ‘moederboek’, blijkt hoogsymbolisch proza dat leest als poëzie.

Het is een grote puzzel. Decoderen is het devies, zo voelt het, in Voor het vergeten. Meteen vanaf het begin, waar een nachtelijke autorit door mistsluiers voert, waar een meteorenzwerm het zwerk lichtjes verlicht, een witte kat over omheiningen springt naar een ontmanteld huis. En waar de geweien van twee herten verstrengeld lijken – maar het kleinere hert blijkt een boom, of zijn gewei verándert in een kluwen van boomwortels, waaraan het grotere hert zich wil ontworstelen: ‘Buiten zinnen, achterwaarts rennend, zigzaggend, sleept het hert het gevaarte met zich mee, een diep, zwart spoor trekkend, alsof het achterwaarts in de tijd loopt, een herinnering in, een film in rewind, betekenis, een leven.’

Wat maken we daarvan? Hoe kraken we deze code?

Later in datzelfde eerste hoofdstuk volgt de meest aardse, realistische passage van de roman. Het is november 2015 en de schrijver krijgt een telefoontje, van zijn vader, die meldt dat zijn moeder stervende is. De schrijver, in paniek, metamorfoseert van ik-verteller in je-persoon (‘Je vindt de sleutels niet die voor je neus liggen’), alsof hij losraakt van zichzelf én zichzelf gaat beschouwen. Als hij in het ouderlijk huis aankomt is ze gestorven, ineens, plotseling, hartaderbreuk.

Zou deze roman het ‘moederboek’ worden van de Vlaamse dichter, regisseur en romancier Peter Verhelst (1962)? In zekere zin ja, maar minder banaal dan dat klinkt. Iets later ontvouwt zich preciezer wat deze roman in gang zette: ‘Hartaderbreuk van de tijd die niet langer een geruststellende rechte lijn vormt, maar die, onderhevig aan woede, rauw verdriet, verbijstering, herinneringen en gemis, aan het wervelen gaat.’ Een herinneringsboek – maar ook een tocht die door de wervelende gevoelens zodanig gefragmenteerd is dat het niets anders kan worden dan versplinterd en niet-rechtlijnig, postmodern, een trip. Oftewel: echt een roman van Peter Verhelst.

Fragmentatie en ontworteling

Als hij ‘zeven punten van rouw’ googelt, worden hem zinnen voorgeschoteld in krukkig Google Translate-Nederlands. Dan ziet hij in wat er is gebeurd: ‘vanaf nu leef ik in een Google translation van de wereld die ik dacht te kennen’. We moeten decoderen dus, beredeneren wat dat wat er staat betekent – de ontworteling na moeders dood biedt Voor het vergeten daarvoor ook een inhoudelijk argument.

Het levert proza op dat je voor vragen stelt, niet in de laatste plaats over de handeling van het lezen zelf. Wat moet je met je onbegrip? Is er een grens aan de ontregeling die je je moet laten welgevallen, of doe je dan niet genoeg je best? Is het nijver zoeken naar samenhang wel de bedoeling? Vraagt dit boek dat we turen, overlezen, wikken, stukbijten? Of is de beste leeshouding alles over je heen laten komen, voortfietsend door de metaforenzwerm?

Een roman van Verhelst lezen vergt óók het uitstellen van je verlangen naar antwoorden of eenvoud. Voor het vergeten mag een roman heten, maar de leeservaring is veeleer die van poëzie. Er is niet zozeer één verhaallijn als wel een ketting van verhalen, in vele genres en registers, vele personages en decors. Er zijn woorden die bulken van betekenis en die ontdaan van hun hoogsymbolische bijbetekenis loos lijken. En er zijn volgende zinnen die de woorden weer van strekking doen verkleuren, een nieuwe context en dus betekenis toevoegen. Fragmenten, passages die je pas kunt plaatsen als je het overzicht hebt, en dan soms nog niet.

Een voorbeeld. Een deel van de sleutel tot deze roman zijn de Metamorfosen van Ovidius – het verhaal van Actaeon, die in een hert verandert als hij godin Diana bespiedt, of van Apollo die Daphne overweldigt en haar doet transformeren in een laurierboom. Ze keren in vele gedaanten terug in de roman, net als het verhaal van Orpheus en Eurydice trouwens, dat al weerkaatst wordt in wat de schrijver over zijn verweduwde vader opmerkt: ‘Mijn vader is aan het veranderen in een man die de herinnering aan zijn vrouw achternarent’. Vooral is er telkens de notie van de metamorfose. Wanneer de schrijver zijn geliefde ziet slapen, noteert hij: ‘over haar zachte borst schoof een fijne schors, haar haren werden bladeren’. In de herinnering schuift het dode, witte gezicht over zijn moeders levende gezicht heen. Waarbij wit natuurlijk staat voor het niets, en ook rijmt met de kleur van sneeuw, terwijl óók een zwart gat het niets is.

Dat had één voorbeeld moeten zijn, maar zo werkt het bij Verhelst niet. De schrijver klampt zich vast aan álles, om zo een net van metaforen te knopen. Zoals in de doodsnacht een meteorenzwerm zichtbaar was, zo creëert Verhelst hier een metaforenzwerm: ze suizen je om de oren, in Voor het vergeten.

Wat levert dat op? Puzzelen dus, hoe het als migrantenmythe vervormde Orpheus-verhaal te plaatsen is, waarvoor de weerbarstige toneelpassage symbool staat (houvastzin: ‘alleen door een ander lichaam is het mogelijk uit de hel van mezelf te kruipen’), hoe de vis-episode uit het begin te verbinden is met het poëtische hoofdstuk ‘Vlekken’ aan het einde. Duiden geeft genoegdoening. Duiden tegen het verzuipen. Maar wanneer de schrijver tijdens het vertalen van poëzie bevangen raakt door lost in translation blues, ervaart hij daarvan óók troost: ‘Alsof de metaforenzwerm niet alleen herinneringen in stand houdt, maar ook de scherpe randen van het verdriet gladwrijft.’ Het zou mooi zijn als die catharsis ook op de lezer oversloeg. Maar dat laat te wensen over.

Eigen verbeelding

Dat komt voor een deel door het werk dat je als lezer blijft verrichten: wil je iets voelen, dan moet je dat natuurlijk wel zélf doen. Wanneer je de woorden maar wat over je heen laat stromen, fiets je zielloos op het einde af. Maar al dat decoderen maakt Voor het vergeten vooral een cerebrale ervaring – het blijft wachten op dat moment waarop je waarlijk meegesleept wordt, waarop de tekst gaat leven, zélf voortbewegen. Waarop de uiting van Verhelst zich door de lezer laat verinnerlijken. Wanneer de scherpe randen van het verdriet rechtstreeks getoond worden, zien we zó’n pijn, dat ik raar-relativerende dingen wilde gaan terugzeggen: je wéét dat een oude moeder ooit zal sterven, en toch voel je je zo verwoest? Waarom? Dat ik op dat punt die verwoesting niet allang voelde, doet me toch vermoeden dat er iets is misgegaan.

Als Verhelst uitweidt over het pièta-beeld in de Napolitaanse kapel van Sansevero – een beeld dat wordt ‘verhuld door een marmersluier’ – geeft hij een indirecte leesinstructie. In de versluiering ‘ontstaat de intimiteit met de toeschouwer’, schrijft hij, ‘omdat die niet anders kan dan het waas opvullen met de eigen verbeelding en herinneringen’.

Is het mij als individuele lezer dan aan te rekenen dat het waas maar niet optrok? Heb ik te weinig opgevuld en móést er zo wel een sluier tussen mij en het gevoel in Verhelsts mooie, imponerende zinnen en beelden in blijven hangen? Of lag het aan de roman dat ik een particulier universum niet ging doorvoelen? Ik zag de schrijver worstelen, door zijn gevoelens zo goed als hij kon te vertalen naar metaforen, en die te laten metamorfoseren tot taal. Maar bleef er op een afstandje naar kijken.