Walter Scheidel: „In Europa en vooral in Japan moeten er door de vergrijzing meer middelen worden uitgetrokken voor ouderenzorg. Daardoor blijft er minder over voor herverdelingsprogramma’s.”

Foto Roger Cremers

Historicus Walter Scheidel: 'De mens doet te weinig tegen ongelijkheid'

Walter Scheidel Historicus

De economische ongelijkheid groeit, standaard. Alleen pandemieën of grote oorlogen onderbreken dat tijdelijk, stelt historicus Walter Scheidel. ‘We moeten harder nadenken over de vraag hoe we ongelijkheid kunnen bestrijden.’

Walter Scheidel, hoogleraar oude geschiedenis aan Stanford University, zorgde vorig jaar voor een sensatie met zijn monografie The Great Leveler. Het is een ambitieuze schets van de inkomens- en bezitsverdeling in de wereld sinds de prehistorie. Aan de hand van een verbluffend aantal bronnen laat Scheidel zien dat die verdeling in de loop der geschiedenis steeds ongelijker wordt.

Deze trend naar steeds meer economische ongelijkheid, schrijft Scheidel, wordt alleen onderbroken door gewelddadige schokken, zoals de ineenstorting van staten, pandemieën, radicale revoluties en oorlogvoering met massale mobilisatie van mensen en middelen. Die eerste twee schokken voltrokken zich vooral in de premoderne tijd, de laatste twee kenmerken de twintigste eeuw. Twee wereldoorlogen en revoluties in Rusland en China zorgden in de eerste helft van de vorige eeuw voor een forse verkleining van inkomens- en bezitsverschillen. Maar volgens Scheidel raakte het effect in de jaren 80 uitgewerkt. Sindsdien zien we overal in de wereld de economische ongelijkheid weer toenemen.

Lees meer over het boek: Gelijkheid? Dan eerst een apocalyps (of een oorlog)

Eerder deze maand kwam Walter Scheidel op uitnodiging van het Netherlands Institute for Advanced Studies (NIAS) naar Amsterdam. Voorafgaand aan zijn lezing sprak hij in het NIAS met NRC over zijn jongste boek.

U bent oudhistoricus. Wat bracht u tot de reuzensprong van de antieke wereld naar een exercitie in economische wereldgeschiedenis?

„Het was geen sprong, maar een geleidelijk proces. Ik had mijn onderzoeksterrein al eerder uitgebreid. Zo heb ik het Romeinse Rijk vergeleken met het Chinese keizerrijk en heb ik gekeken naar andere premoderne samenlevingen. Dit was de meest recente stap in een langer proces.

„Ik was vooral geïnspireerd door Thomas Piketty’s boek ‘Kapitaal in de Eenentwintigste Eeuw’ [2013, red.]. Ik had al eerder artikelen van hem gelezen, waarin hij schreef dat de wereldoorlogen een enorm verschil hebben gemaakt. Ik dacht: dit heb ik eerder gezien, want ik ben ook bekend met andere historische perioden dan de oudheid. Ik dacht: laat ik eens kijken of er een algemeen patroon is. En dat bleek het geval te zijn.”

In de prehistorie en de oudheid speelde geld geen of een beperkte rol. Hoe meet je ongelijkheid in een niet-monetaire wereld?

„Meten is een verkeerde term; voor het verre verleden kun je alleen schattingen maken op grond van beschikbare data. En je moet je concentreren op bezit; inkomen is veel moeilijker te vangen. Dat geldt al voor samenlevingen van vóór de twintigste eeuw. Want er bestaat dan nog geen inkomstenbelasting en inkomens zijn nergens systematisch vastgelegd. Dat geldt wel voor bezit. Er zijn al duizenden jaren heffingen op huizen, landbouwgrond.”

Hoe bepaal je de toename van ongelijkheid?

„Hoe verder je teruggaat in de tijd, hoe moeilijker het wordt geleidelijke trends waar te nemen. Je kunt dus alleen – en daar gaat het boek over – dramatische reducties van ongelijkheid zien, die zich voltrekken in een afzienbare tijdspanne en op een grote schaal. Toename van ongelijkheid gaat doorgaans heel geleidelijk. Als je kijkt naar de verhoudingen in een bepaalde eeuw, en je kijkt opnieuw twee eeuwen later, dan kun je wel verschillen zien.”

Scheidel gebruikt in zijn boek twee maten voor ongelijkheid: de GINI-coëfficiënt (een maat voor de ongelijkheid in een verdeling) en het inkomensaandeel van de 1 procent grootste verdieners in een samenleving. Door de analyse te beperken tot deze twee maten laat hij moderne arrangementen als sociale woningbouw, sociale verzekeringen en gezondheidszorg buiten beschouwing.

Die beginnende verzorgingsstaat heeft toch wel degelijk invloed op de levensstandaard?

„Zeker. Er zijn voor de hedendaagse wereld veel meer maten. Je kunt belastbaar en belast inkomen meten, je kunt de herverdeling in een verzorgingsstaat meten en dan krijg je een andere uitkomst. Maar in vroegere samenlevingen heb je daar niks aan, want daar is geen overheidszorg die we als zodanig zouden herkennen. Dat maakt vergelijken ingewikkelder. Maar het is wel zo dat beperking tot die twee maten de overeenkomsten tussen vroegere en hedendaagse samenlevingen overschat, want hedendaagse zijn uiteindelijk minder ongelijk dan ze op papier lijken.”

Een ander punt is het gewicht dat Scheidel toekent aan oorlog. In het Europa van de 19de eeuw ontstonden de eerste verzorgingsarrangementen, zoals pensioenregelingen, met als gevolg een afname van de ongelijkheid in levensstandaard. Die neemt Scheidel niet mee.

Walter Scheidel: „In Europa en vooral in Japan moeten er door de vergrijzing meer middelen worden uitgetrokken voor ouderenzorg. Daardoor blijft er minder over voor herverdelingsprogramma’s.” Foto Roger Cremers

Overschat u zo niet het effect van de Eerste Wereldoorlog?

„Mijn punt is niet dat door de oorlog dingen gebeurden die anders niet gebeurd zouden zijn. Het gaat me erom dat de oorlog dingen versnelde die al aan het veranderen waren. Er waren aan het eind van de 19de eeuw al vakbonden, er waren inderdaad pensioenregelingen, en zo meer, al bestond daar massaal verzet tegen in dominante politieke kringen. Wat de oorlog deed, was deze oligarchische elites verzwakken waardoor deze ontwikkelingen veel sneller gingen dan ze anders zouden zijn gegaan. Je kunt beredeneren dat als je maar lang genoeg zou wachten uiteindelijk iedereen kiesrecht zou hebben gekregen. Maar het zou langer hebben geduurd. De oorlog concentreert, versnelt de dingen.”

In 1848 kreeg Nederland een nieuwe, relatief democratische grondwet. Van oorlog was geen sprake.

„Veel landen kregen nieuwe grondwetten in 1848, want er waren overal in Europa opstanden. Een geloofwaardige dreiging van massaal geweld maakt de geesten rijp voor verandering. Na 1917 ontstond de angst voor communisten. En in 1848 waren het elementen van de bourgeoisie die de oude elite bedreigden. Die dreiging werd preventief gekeerd door politieke hervormingen.”

Scheidel bespreekt in een van de laatste hoofdstukken ook niet-gewelddadige scenario’s voor reductie van ongelijkheid: recessies, landhervormingen, democratisering, economische groei. Hij stelt vast dat de effecten daarvan in het niet vallen bij die van oorlog en revolutie.

Is toenemende ongelijkheid onvermijdelijk?

„De strekking van mijn betoog is niet dat toenemende ongelijkheid onvermijdelijk is. Ik zeg alleen dat het moeilijker is om ongelijkheid te verminderen zonder gewelddadige ontwrichting of een geloofwaardige dreiging van een dergelijke schok.

„Velen vinden The Great Leveler daarom een deprimerend boek. Dat is in orde, want het is niet de taak van een historicus te zorgen dat mensen zich goed voelen. Als het boek maar niet wordt opgevat als defaitistisch, want dat is iets anders.

„Defaitistisch is te zeggen: Scheidel laat zien dat het heel lastig is om zonder al die vreselijke dingen ongelijkheid terug te dringen, dus laten we het maar niet proberen. Natuurlijk zijn er media aan de rechterkant van het politieke spectrum, zeker in de VS, die precies zo hebben gereageerd. Maar dat is niet de boodschap. De boodschap is dat het moeilijker is dan je denkt, en we moeten harder nadenken over de vraag hoe het te doen.”

Wat werkt wel volgens u?

„Wat goed heeft gewerkt op het Europese vasteland: de krachten die aansturen op meer ongelijkheid indammen door het in stand houden van de herverdelende mechanismen die daar al enkele decennia bestaan. Relatief hoge belastingen, goede onderwijsvoorzieningen, omscholing van arbeiders. Als dat alles er niet zou zijn, zou reële ongelijkheid in Europa veel hoger zijn dan het is. Er bestaan betekenisvolle verschillen tussen landen en dat betekent dat het mogelijk is om het probleem beter te managen dan is gebeurd in de VS.”

Vanwaar die verschillen?

„Er is vaak beweerd dat in de VS een meer genereuze herverdeling moeilijk is omdat het land zo divers is, en altijd is geweest. Vanwege de geschiedenis van slavernij, van uiteenlopende soorten immigratie. In het Zweden van de jaren 50 was een verzorgingsstaat eenvoudiger op te bouwen omdat het land zo homogeen was. Verder zijn er de verschillen in het politieke systeem. Tweepartijensystemen zouden bijdragen aan een grotere mate van ongelijkheid dan systemen waarin bij coalitievorming consensus tussen meerdere partijen voorop staat. Het onderwijssysteem is ook van belang; de ongelijkheden in het Amerikaanse onderwijs zijn heel groot.”

U schetste de geschiedenis van ongelijkheid. Wat leert die over de toekomst?

„Economen hebben allerlei remedies bedacht voor economische ongelijkheid: belastingen, onderwijs, een basisinkomen, aanpak van offshore bezittingen en belastingontduiking. Als deze recepten op grote schaal zouden worden doorgevoerd zouden ze economische ongelijkheid aanzienlijk verminderen. De ontbrekende schakel is uitvoering. Misschien werkte een van deze dingen vijftig jaar geleden, maar dat was een andere wereld, die was gevormd door de gevolgen van WO II, de crisis van de jaren dertig en de opkomst van het communisme. De wereld die wij bewonen is een heel andere. De herinnering aan die schokken is vervaagd, opvattingen en houdingen zijn veranderd en bovendien zijn er nu heel sterke krachten werkzaam die ongelijkheid vergroten.”

Waar denkt u aan?

„Een van die krachten is globalisering. Die is gunstig voor mensen in ontwikkelingslanden, maar heeft negatieve gevolgen voor sommige segmenten van de werkende bevolking in ontwikkelde landen. Dat heeft bijgedragen aan grotere ongelijkheid in ontwikkelde landen, maar ook in landen als China en India. Verder zou een aanzienlijk aantal banen in het middensegment wel eens overbodig kunnen worden en overgenomen door robots, waardoor de arbeidende bevolking zou polariseren tussen hoog opgeleide goed betaalden en laag opgeleiden die elementaire diensten verlenen.

„In Europa en vooral in Japan speelt het vraagstuk van vergrijzing, een naschok van de demografische transitie, waardoor het aandeel van de bevolking dat niet langer actief is aanzienlijk toeneemt. Er moeten meer middelen worden uitgetrokken voor ouderenzorg, waardoor er minder overblijft voor herverdelingsprogramma’s, wat netto gelijkheid vermindert.

„Als de bevolking veroudert zijn er meer mensen nodig uit andere delen van de wereld. Als immigratie een bepaald niveau bereikt, en een aanzienlijk deel van de nieuwkomers laag is opgeleid en slecht geïntegreerd, heeft dit een politiek effect. Sociologen zeggen dat hoe diverser een samenleving is, hoe minder mensen voorstander zijn van vergaand herverdelingsbeleid. Tenminste, als de perceptie is dat dit in het voordeel werkt van mensen die cultureel verschillen van degenen die de belastingen betalen.”

    • Dirk Vlasblom