Recensie

De bloedbond van onheilsprofeten

Cultuurpessimisme

In een wervelend, fraai geschreven boek komen tal van bevlogen denkers voorbij, die, net als de pessimisten van nu, zo’n eeuw geleden ook al de ondergang van Europa voorspelden.

Foto Getty Images

Als we sommige onheilsprofeten mogen geloven, beleven we in Europa sombere en bange tijden: er zou sprake zijn van een ‘homeopathische verdunning’ van onze cultuur, van een ‘omvolking’ en ‘islamisering’ van dit continent, dat ten prooi valt aan de duistere machinaties van een cynische elite. Volgens de filosoof Ad Verbrugge is er zelfs geen actueler boek dan Oswald Spenglers Der Untergang des Abendlandes, waarvan de vertaling onlangs met veel bombarie werd gepresenteerd. Dit lijkt dus op een revival van het cultuurpessimisme uit de eerste decennia van de vorige eeuw, en dat is een periode waarnaar huiverend wordt teruggekeken omdat daarna de hel uitbrak.

In 1940 schreef George Orwell echter al dat – behoudens de ellende van de Eerste Wereldoorlog – het geweeklaag uit de jaren 1900-1930 zwaar overdreven was geweest, en vooral een hobby van welgestelde mannen uit de middenklasse die een beetje interessant wilden doen: ‘Het was de tijd van adelaars en beschuitbollen, behaaglijke wanhoop, achtertuin-Hamlets en goedkope retourtickets naar het einde van de nacht.’ Hij noemde het pessimisme en de wanhoop van deze intellectuelen ‘behaaglijk’, omdat zij het zich konden permitteren: ‘Mensen met lege magen zullen nooit wanhopen over het universum; ze zullen, wat dat aangaat, niet eens denken aan het universum.’ Maar was er dan niets aan de hand? Stelden auteurs als Spengler, W.B. Yeats, T.S. Eliot en onze eigen Frederik van Eeden zich soms gewoon aan?

Niet te ontkennen valt dat nogal wat denkers zich zorgen maakten over tal van ontwikkelingen in de moderne samenleving. De stormachtige opkomst van de natuurwetenschappen en de techniek bracht, in de woorden van Max Weber, een ‘onttovering van de wereld’ met zich mee. Voor mystiek, symboliek en rituelen was alleen nog plaats in het persoonlijke religieuze domein, maar niet meer op de terreinen van politiek, economie en het recht. Liberalisme en kapitalisme leidden in de ogen van velen tot materialisme, hypocrisie, en geestelijke leegte, terwijl de cultuur vervlakte en vercommercialiseerde.

Ontworteling

In zijn wervelende en fraai geschreven boek De zieners laat historicus Guido van Hengel zien dat Oswald Spengler in het begin van de 20ste eeuw bepaald niet de enige was die van mening was dat de moderniteit vooral negatieve gevolgen had, en dat de Europese cultuur ten onder ging. Tal van zelfbenoemde ‘zieners’ en ‘profeten’ verkondigden dat er in Europa sprake was van een ernstige ontworteling van het individu, het verloren gaan van zekerheden, het uiteenvallen van de gemeenschap en angst voor de toekomst.

Hoewel Van Hengel veel van dit soort denkers de revue laat passeren, die allemaal hun eigen sombere analyse maakten en ook allemaal met hun eigen ‘remedie’ kwamen, concentreert hij zich op drie van hen: de Nederlandse schrijver, psychiater en wereldverbeteraar Frederik van Eeden, de Duits-Joodse filosoof Erich Gutkind en de Bosnisch-Servische mysticus Dimitrije Mitrinovic.

Van Eeden (1860-1932) moest in 1907 concluderen dat zijn idealistische landbouwkolonie Walden een fiasco was, dat het niet was gelukt te komen tot een nieuwe mens, die een nieuwe samenleving kon opbouwen. Na enkele succesvolle lezingentournees in de Verenigde Staten vestigde hij zijn hoop op een elite van welgestelde en ruimdenkende mensen, op wat hij ‘koninklijken van geest’ noemde. Hij raakte bevriend met de gefortuneerde Joodse filosoof Erich Gutkind (1877-1965), die onder het pseudoniem Volker in 1910 het sterk esoterische boek Siderische Geburt publiceerde.

Op bombastische toon verkondigde Gutkind dat de burgerlijke beschaving van Europa ten dode was opgeschreven, en dat de enige uitweg gevonden kon worden in de herontdekking van de eigen goddelijkheid van de mens: ‘Het is voorgoed voorbij met alles wat “ding” is, met alles wat een gedachte, een eenzielige emotie is, het is voorbij met de absolute wereldconstructies. Het enige van waarde is nog de wereldverlossing, de wereldoplossing, de wereldvervolmaking. Voor de gehele wereld die ons nog verdrukt willen we vanaf het beginpunt een schepping op een schepping laten volgen. God is daarvoor enkel het magische woord, dat alles mogelijk is, in de goddelijke ordening. Alles is mogelijk, dat is de nieuwe leer van de siderische geboorte.’

Fijnmazig net

Gutkind en Van Eeden wilden samen een ‘bloedbond’ van grote geesten oprichten, die ‘een fijnmazig net over de hele wereld’ moest weven, om zo de mensheid te redden. Van Eeden wist het zeker: ‘Een dozijn man kan het doen: het lot van de mensheid veranderen.’ Verder dan zeven kwamen ze echter niet, want de zogenoemde Forte Kreis die vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bijeenkwam – waarvan onder anderen de filosoof Martin Buber, de anarchist Gustav Landauer en de industrieel en publicist Walther Rathenau deel uitmaakten – viel door diezelfde oorlog meteen weer uit elkaar.

Dimitrije Mitrinovic (1887-1953) maakte geen deel uit van deze club, maar had wel contacten met zowel Van Eeden als Gutkind. In hoogdravende, nauwelijks te volgen geschriften pleitte hij voor een ‘Arisch Europa’, dat in navolging van Nietzsche niet moest worden gezien als een etnische entiteit maar als een ‘geestelijke grootheid’. Ook zag hij in het werk van Kandinsky de synthese van alle vernieuwende ontwikkelingen in de Europese samenleving, die zouden bijdragen aan de vernietiging van de burgerlijke maatschappij en ‘de oprichting van de cultuurmens op aarde’.

Het ging deze bevlogen ‘zieners’ om het redden van de moderne mens, en om een nieuwe ordening van Europa. De Eerste Wereldoorlog had volgens hen laten zien waartoe het nationalisme kon leiden, zodat een vergaande Europese samenwerking noodzakelijk was, als opstap naar het verwezenlijken van de ‘Pan-Mensheid’.

Dat hier weinig van terecht kwam, had veel te maken met de persoonlijkheden van deze onhandige profeten. Met hun adembenemende visioenen, Himalayaanse ego’s en geringe organisatorische vaardigheden waren ze eenvoudig niet geschikt om een levensvatbare beweging op te zetten. Of zoals Van Hengel het treffend formuleert: ‘Van Eeden, Gutkind en Mitrinovic balanceren voortdurend tussen bedrog en verbeelding, aanstelleritis en bezieling en het redden van de mensheid en het verdragen van welgeteld een enkele persoon.’ Misschien is dat ook een troostende gedachte, nu zelfbenoemde kruisridders met lavendelzakjes zwaaien en opnieuw oreren dat de ondergang van het Avondland nabij is. Wanneer wij gewoon het hoofd koel houden, loopt het waarschijnlijk zo’n vaart niet.

    • Rob Hartmans