‘Afstand nemen van jezelf. Dat is een overlevingsmechanisme’

Saskia Noort ‘Deze roman is teruggebracht tot wat er echt verteld moest worden’, zegt Saskia Noort. Collegaschrijver Jan van Mersbergen gaat met haar in gesprek – over schrijven.

Het gesprek begint met twee moorkoppen in een papieren zakje. Saskia Noort: „Ik pak schoteltjes. En gefeliciteerd met je verjaardag.” Jan van Mersbergen: „Ik zei tegen de bakker: Doe maar twee taartjes die onhandig eten maar waarbij je makkelijk praat…”

S: „Van harte.”

J: „Dat zijn ook sociale verbanden: verjaardagen. Jouw boeken gaan over sociale verbanden.”

S: „Zeker. Mijn thrillers en ook mijn romans. Dat zijn eigenlijk thrillers zonder moord of dader.”

J: „Wat me vooral opvalt: de tekst is nergens aangedikt. In Stromboli zeker niet. De proloog is keihard.”

S: „Die is achteraf geschreven. En kaal gemaakt.”

J: „Een verkrachtingsscène die niet alleen hard is om wat deze vrouw overkomt maar ook om hoe ze erover vertelt.”

S: „Dat is uitgebeend ja.”

J: „Dat werkt heel goed. In dit stukje heftige tekst, laat je de vrouw zeggen: ‘Ik leef, maar voel me zo ver verwijderd van het leven dat ik net zo goed dood had kunnen zijn.’ Dat is sober, koel verteld, na zo’n heftige gebeurtenis. Dat gaat over gevoel. Het gaat over doodsangst. En toch is de vrouw rationeel en zegt ze ook dat ze de morning-afterpil zal gaan halen.”

S: „Dat is de samenkomst als je zoiets overkomt: denken gaat door. Dat deed ik ook in mijn thrillers: de slechte kant van de mens onderzoeken. Ook de slechte kant van jezelf. Die is er ook.”

J: „Jouw Afgunst gaat over jaloezie en wraak.”

S: „Ik ben heel wraaklustig.”

J: Geniet je van wraak?”

S: „Heel erg.”

J: „Ik geniet van zinnetjes, in Stromboli. Korte, erg beeldende zinnetjes. Bijvoorbeeld de seksscène waarin Sara vertelt: ‘Dan begint het beuken. Ik denk aan eenden’.”

S: „Die gedachte omvat het gevoel.”

J: „Dat is tegenstrijdig: een gedachte aan iets anders omvat het gevoel van dat moment.”

S: „Ja.”

J: „En er staat alleen: ‘Ik denk aan eenden.’ Dat is vooral een beeld oproepen, verbanden leggen, en ruimte scheppen voor de lezer. Ze denkt aan eenden, maar wat voor eenden?”

S: „Een eend die besprongen wordt.”

J: „Daar dacht ik totaal niet aan. Ik dacht aan eenden in een vijver. Zo twee bij elkaar, rustig dobberen in het park.”

S: „Er is ruimte voor eigen beelden.”

J: „Is dat ook een verschil tussen thrillers en romans?”

S: „Daar heb ik het met mijn redacteur veel over gehad. Deze roman is teruggebracht tot wat er echt verteld moest worden.”

J: „Wat je ook laat zien: vertrouwen in de lezer. Het vertrouwen dat de lezer deze beelden kan begrijpen, voelen, plaatsen.”

S: „Laat het soms maar ingewikkeld zijn ja.”

J: „Deze zin, over borsten: ‘Die zijn nieuw, tot grote vreugde van haar man Joep, die niet weet dat ze eigenlijk voor Berend bestemd zijn’.”

S: „Die wilde mijn redacteur er eerst uit hebben, maar ik vond hem goed.”

J: „Hij is ook goed. Goed verteld. Twee personages noemen zonder ze te beschrijven, die mannen, en je hebt toch een volledig beeld van die twee, en wat ze weten, hun verraad, hun genieten.”

S: „Dubbel verraad.”

J: „Is het toch weer een thriller.”

S: „Het verschil tussen romans en thrillers is aan het vervagen, al heel lang.”

J: „Denk ik ook. Hoe ontstaan die beelden?”

S: „Ik broed daar niet uren op. Ze zijn er, tijdens het schrijven.”

J: „Is het vooral goed kijken?”

S: „Ik ben een beschouwer ja.”

J: „Schrijven is een kijksport?”

S: „Ja. Om je heen kijken en zien wat er gebeurt. Ook naar jezelf durven kijken en zien wat daar gebeurt. In jezelf kijken, dat is ook kijken.”

J: „Welke richting kijk je op bij zo’n roman?”

S: „Beide richtingen, en soms word ik er wel moe van.”

J: „Waarom moe?”

S: „De onderwerpen. Scheiding.”

J: „Dat is in Stromboli de hoofdmoot. Vooral de columns van de literaire schrijver over de scheiding zijn treffend.”

S: „Hij probeert haar naar zich terug te schrijven.”

J: „Ergens typeer je die man als ‘literair en moeilijk’. Is dat een logische combinatie?”

S: „Voor veel literaire mannen wel. Allemaal moeilijk.”

J: „In je thrillers ging het vooral over afgunst, jaloezie. Nu lijk je daar boven te staan. Nu maak je van de man een sentimenteel figuur, geen psychopaat.”

S: „Dat is in romans anders. Die spanning. Een scheiding biedt spanning. Tinderdates bieden spanning. Maar ook sentiment. Van een vriendin die veel van die dates heeft hoorde ik dat negen van de tien mannen op de rand van haar bed gaan zitten huilen.”

J: „Daarover schrijven is taboedoorbrekend.”

S: „Je leest bijna nooit over dat soort mannen. Zeker niet in die slechte seksscènes, geschreven door mannen, waarin vrouwen binnen een minuut gillend klaarkomen.”

J: „In Stromboli draai je het om. Vrouwen kunnen niet klaarkomen en mannen zitten te janken op de rand van het bed.”

S: „Dat komt dichter bij de werkelijkheid.”

J: „Ik lees ook afstand. Tussen jouw personages, maar ook afstand in de woorden. Dit boek is indirect.”

S: „Over heftige gebeurtenissen ja, afstand. Als je zoiets heftigs overkomt als een verkrachting, wat doe je dan? Welke beelden blijven je bij? Welke gedachten kun je later terughalen?”

J: „Je beschrijft het bijna werktuiglijk. Je hebt het over ‘pompen’.”

S: „Dat is het ook.”

J: „Maar in tekst heel hard en kaal verteld. Bij mij komt dat in ieder geval hard aan. Het werkt op mijn gevoel. Die beelden werken op mijn gevoel, net als die eenden.”

S: „Die beelden komen uit mezelf, samen met dat gevoel.”

J: „En die man is geen psychopaat. Geen moordenaar.”

S: „Die man doet dit.”

J: „Juist. Alleen de handeling.”

S: „Dat is hard ja.”

J: „Het gaat over verhoudingen, onderling.”

S: „En over scheidingen, onderdeel van die verhoudingen. Het gaat mis tussen twee mensen. Grof mis. De verhouding is scheef: de een zorgt, de ander neemt.”

J: „Wat is dat met zorg en dat het mis gaat?”

S: „Ik ken dat goed. Ik doe veel. Veel te veel, en dan denk ik: die man doet niks. Die rookt een sigaretje. Hoe kan dat? Waarom zorg ik voor de ander? Dat gaat twee kanten op.”

J: „Herkenbaar. Ik zorg en kook en ren de hele dag.”

S: „Heeft ook met macht te maken. Als je alles doet heb je ook alles in de hand.”

J denkt na, dan: „Het niet uit handen willen geven.”

S knikt.

J: „Dat is schrijven ook. Macht, en overdrachtelijkheid. Wat is dat toch met proza, dat het gaat werken wanneer het over zorg gaat?”

S: „En macht.”

J: „Gaan thrillers niet vooral over macht?”

S: „Gaat gelijk op: zorg en macht. Daarover vertel ik.”

J: „Goed vertellen, dat is iets anders dan schrijven om te imponeren. Jij gebruikt kernachtige beelden.”

S: „Dat gevoel van die eenden en seks. Dat het voelt alsof je onder water getrokken wordt, dat vertelt mijn zinnetje met die eenden.”

J: „Maar dat staat er allemaal niet, dat gevoel.”

S: „Nee.”

J: „Wat gebeurt er als je dat wel allemaal zou vertellen?”

S: „Dan worden die eenden sentimenteel.”

J: „Ik denk het ook.”

S: „Dat je afstand neemt van jezelf, terwijl je er rationeel bij blijft.”

J: „Want je bent er steeds bij, in die handeling. Die verkrachting is niet iets wat je overkomt terwijl je in coma ligt.”

S: „Je bent er volledig bij. Het gebeurt. Je moet verder. Hoe ga je verder?”

J: „Dat weet jij beter dan ik.”

Als je zoiets heftigs overkomt als een verkrachting, wat doe je dan? Welke beelden blijven je bij?

S: „Het is een overlevingsmechanisme. Een heel groot percentage van alle prostituees heeft zoiets meegemaakt: misbruik, verkrachting. En nu doen ze dit werk. Ik denk omdat ze buiten zichzelf kunnen treden. Geld vragen voor seks, niet terwijl ze dit overkomen is maar omdat ze dit overkomen is. Daarom kunnen ze dat. Van vrouwen zonder die ervaringen kan dit niet gevraagd worden. Prostituees kunnen dit van zichzelf vragen. Ze treden buiten zichzelf, en dat kan een kracht zijn.”

J: „Is dat met schrijven ook een kracht? Hierover schrijven.”

S: „Dat weet ik niet. Ik ga nu die twilight zone in, na een boek. Dat is vreselijk. Reacties. Van familie, vrienden, recensenten.”

J: „Dat is bij een roman niet anders?”

S: „Dat is hetzelfde.”

J: „En lezers?”

S: „Ik krijg veel reacties van lezers die steun hebben aan mijn verhalen over scheidingen. Vaak vrouwen. Die komen naar me toe en zeggen: Door jouw boek heb ik de stap durven zetten.”

J: „Dat zal met dit boek ook gebeuren. Ook als lezers die eenden niet kunnen voelen of daar gewoon overheen lezen. Dan is er genoeg over voor deze lezers om dit boek te vertalen naar zichzelf.”

S: „We gaan het zien.”

J: „Toch weer mannen- en vrouwendingen. Ik wilde eigenlijk dit gesprek beginnen met de man die jou tijdens het Boekenbal, toen je het koud had op het balkon, zijn jasje aanbood.”

S zwijgt.

J: „En dat je dan zou zeggen: ‘Dat was jij’.”

S: „Dat weet ik.”

J: „Of zou dit dan een te sentimenteel gesprek worden, tussen een vrouw die een harde roman heeft geschreven en een man die een gevoelig schouderklopje wil?”

S: „Gelukkig liep het anders.”

    • Jan van Mersbergen