Iceage: gitarist Johan Surrballe Wieth (links), bassist Jakob Tvilling Pless, zanger Elias Bender Rønnenfelt en drummer Dan Kjær Nielsen.

Foto Steve Gullick

‘Voor Lennon was vrede de natuurlijke staat, voor mij is het strijd’

Popgroep Iceage

Liefde, vrede, allemaal leuk, maar de natuurlijke staat van de mens is oorlog. Het Deense Iceage heeft geen zonnig wereldbeeld. Maar de muziek op hun nieuwe album is bulderend en fijnzinnig tegelijk.

Met een blij ‘Hurrah!’ opent het nieuwe album van de Deense groep Iceage. Net zo opgetogen als de titel van deze song, wordt de muziek gekleurd door schetterend blazers en juichende mannenkoren. We hebben iets te vieren, lijkt de boodschap van voorman/gitarist Elias Bender Rønnenfelt. Totdat de betekenis van zijn woorden doordringt. Want Rønnenfelt zingt: „We’re dancing to the sound of the enemy’s guns/ Boogie as we drop one by one.” Hij vervolgt met een regel over geweervuur en tapijtbombardementen alsof het over een rondje bier gaat. Met de conclusie: „No, we can’t stop killing/ And we’ll never stop killing/ And we shouldn’t stop killing/ Hurrah!”

De luisteraar voelt zich in de val gelokt: feestvreugde blijkt oorlogszucht. In Amsterdam, op een koude voorjaarsochtend, vertelt Rønnenfelt dat hij in het nummer juist die ongerijmdheid wilde onderstrepen. „Ik steek de draak met het fenomeen van moord als ‘tijdverdrijf’. Maar hoe absurd ook, bloeddorst zit de mens ingebakken.” ‘Hurrah’ slaat volgens hem dan ook niet op een specifieke oorlog, maar op de menselijke neiging tot geweld in het algemeen. „In die zin is het nummer een tegenhanger van John Lennons ‘War Is Over’. Voor hem was vrede de natuurlijke staat. Ik zie strijd als onze natuurlijke staat.”

Dat Rønnenfelt ons met uitbundige kreten en klanken misleidt, is een tactiek die hij van Leonard Cohen heeft geleerd. „Ik ben een fan van zijn lied ‘The Future’, waarin hij op schijnbaar gezellige toon mijmert over marteling. Van ‘Hurrah’ heb ik een vulgair nummer van gemaakt, over dronken joelende mannen. Dat afschrikwekkende aspect leek me toepasselijk.”

Beuken

Elias Bender Rønnenfelt (26) heeft lichtgrijze ogen achter een bungelende lok bruin haar. Terwijl hij praat en rookt, schiet zijn blik door de kamer, alsof overal onheil dreigt. Hij trekt een grote versleten herenjas dichter om zich heen en plukt aan zijn broek. Zijn groep, Iceage, bestaat sinds tien jaar. De muzikanten zijn niet zomaar collega’s, ze zijn elkaars vriend en toevlucht, zegt Rønnenfelt. Naast hem zit gitarist Johan Surrballe Wieth, bandlid sinds het begin. De muzikanten komen oorspronkelijk uit Aarhus, verhuisden samen naar Kopenhagen en begonnen als 16-jarigen hun band. Eerst speelden ze punk, maar de nummers evolueerden al snel richting een trager soort doemrock, waarbij Rønnenfelts onheilstijdingen door fier beukende bas en drums worden voortgestuwd. Zang en gitaar ondertussen galmen, alsof de muzikanten zich tijdens de opnamen in een schuilkelder had verschanst.

Het nieuwe, vierde album Beyondless verrast met toevoegingen als een bulderende sax en fijnzinnige viool, gearrangeerd met de duistere elegance van een Nick Cave of PJ Harvey. Op het album staat een mooi genrestukjes als ‘Showtime’, een ‘show’-deuntje; en er is het kolkende ‘Painkiller’ dat dankzij de nonchalant galmende gastzangeres Sky Ferreira, tot een liederlijke rock-’n-roll-statement uitgroeide. Rønnenfelts grommende teksten zijn gevuld met metaforen en bloemrijke retoriek, allitererend („subterranean slums”) en grimmig („I will breed like a rat/ Spread them all over the map”).

Door de nieuwe stijl van Beyondless, is het kwartet inmiddels uitgebreid tot zestal; ook live, zoals op 5 mei in Bitterzoet, Amsterdam, spelen er extra muzikanten mee. De nieuwe aanpak ontstond geleidelijk in de studio, dankzij de daar aanwezige verzameling instrumenten, zeggen ze. Wieth: „Er lagen daar voor ons ongewone instrumenten, die we uitprobeerden, zoals klarinet en viool.” Rønnenfelt: „En de piano met die ene valse toets.”

Het nummer ‘Showtime’ begint als rocksong maar ontwikkelt zich tot een wals in cabaretstijl, met een groteske tekst over een showman die dodelijk slachtoffer wordt van eigen hoogmoed. „Live is het een moeilijk nummer”, zegt Wieth. „Je moet het met verve spelen, vooral dat tweede deel, het belachelijke deel. We hebben het inmiddels paar keer uitgevoerd voor mensen die het voor het eerst hoorden en toen flopte het grandioos.”

Rønnenfelt: „Je moet kitsch durven maken, maar niet té.”

Rønnenfelt heeft een romantische kijk op de zelfkant, zoals blijkt uit teksten als „I ruin myself for you”. De combinatie van romantiek en verderf noemt hij de botsing van tegenstellingen: „Mijn teksten zijn een manier om schoonheid en walging samen te laten komen.”

Nummer 5

Rønnenfelts nieuwe teksten zijn opvallend uitvoerig, schreef hij altijd al zo? Zijn vriend Wieth geeft het antwoord. „Nee, het is toegenomen, je hebt steeds meer te zeggen”, zegt hij, met een ironische blik naar de zanger. „Je hebt woord-koorts.”

„Teksten hoeven niet ingewikkeld te zijn”, zegt Rønnenfelt. „‘Rock around the clock’ is perfect. Er zijn verschillende soorten tekstschrijvers. Veel collega’s schrijven heel wat simpeler dan ik. Soms wilde dat ik ook zo was, ik hou bijvoorbeeld van KC and the Sunshine Band, met hun: „Do a little dance/ make a little love/ get down tonight.” Zo kan ik het niet, maar ik vind het mooi. Recht voor zijn raap.”

Drukt Rønnenfelt zich in het Deens net zo schilderachtig uit als in het Engels? Voor het eerst lijkt de zanger op te klaren, alsof hij het gekwelde rock-imago even van zich af kan schudden. Lachend zegt hij: „In mijn moedertaal praat ik heel anders. Dan ben ik juist simpel en praktisch.”

Wieth: „In Kopenhagen maken we deel uit van een vriendengroep. We kennen elkaar sinds de basisschool, groeiden samen op. In die groep praten we een eigen ‘slang’: plat en voor buitenstaanders nauwelijks te begrijpen.”

Als voorbeeld van hun eigen taal noemt Rønnenfelt ‘nummer 5’. „Dat is een gevleugelde uitspraak in onze vriendenkring. In mijn liedjes gebruik ik hem soms ook, het betekent ‘geweldig’. De uitdrukking is ontleend aan het menu bij de pizzeria bij mij om de hoek. Nummer 5 is daar de lekkerste pizza.”