Column

Klodder

De brug over de Zaan stond vaak open, ik had er al eens een trein door gemist. Ik was op de weg terug naar huis. Ik meende de zanger Wolter Kroes te zien in een van de auto’s in de file. Hij groeide hier op, het was me niet ontgaan.

De nieuwe omgeving en ik waren wat moeizaam begonnen, maar ik begon oog te krijgen voor de mooie dingen die hier ook zijn: het industrieel erfgoed, die imponerende muur van oude pakhuizen als je Wormer binnenkomt. De Lassie-fabriek, daarachter de ondergaande zon.

Ik drong me tussen de forenzen naar voren. Deed ik vroeger als de spoorbomen dicht waren op de Brugweg in Velp ook al. Dan vocht ik me naar de beste startplek. Even wielrenner zijn, de denkbeeldige finishstreep lag tweehonderd meter verder ter hoogte van de Hubo op de Kennedylaan. Als ik daar als eerste fietser zou passeren kon er die dag weinig meer misgaan. Ik vertrok als de spoorbomen nog maar halverwege waren. Stoempend over het spoor, daarna met de kont omhoog en met het bovenlijf over het stuur gevouwen naar beneden. In mijn hoofd de stem van Theo Koomen.

En dan winnen.

Gisteren was ik weer veertien.

Ik monsterde de anderen.

Forenzen, maar er zaten er ook tussen op racefietsen. In feite was het hier eerlijker, te vroeg vertrekken ging niet want dan reed je het water in. De brug zakte, op de onderkant een waarschuwing om vooral niet te vroeg te vertrekken.

Gedrang, zouden er meer zijn met dezelfde fantasie?

Hup als eerste onder de slagbomen door. Goed weg. De eerste auto’s schoten voorbij, naast me twee scholieren. Uiteindelijk drukte ik het voorwiel als eerste over het zebrapad bij de rotonde.

Een fijn gevoel.

Even de handen los, de rug recht, zin om te juichen.

Ik rook de weeë cacaolucht die hier permanent hangt, ik ademde de lente.

Nog steeds op snelheid gleed ik als denkbeeldige kampioen van de Zaanstreek het dorp binnen. Er passeerde een scooter, hij zwenkte opzij want ik waaierde breed uit op de rijbaan. Het meisje dat achterop zat spuugde naar me.

De vogels floten, het was nog lekker zwoel en op mijn jas zat kwijl.

Wolter Kroes, hij was het inderdaad, passeerde.

Ik keek naar beneden, het was echt een grote klodder.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.