Datagedreven mensenwerk

Ewoud Sanders

Foto Istock, bewerking fotodienst NRC

Sinds het schandaal rond Cambridge Analytica en Facebook is het woord datagedreven aan een flinke opmars bezig. Datagedreven is een vertaling van het Engelse data-driven. Het wordt al enkele jaren gebruikt door consultants en marketingmensen, maar ontbreekt nog in onze woordenboeken. Steeds meer bedrijven en organisaties verzamelen big data en baseren hun beslissingen, reclame en producten op de geautomatiseerde analyse daarvan, vandaar datagedreven. De meeste gegevens worden gratis en vaak onbewust of onopzettelijk aangeleverd door internetgebruikers.

Hier en daar lijkt het woord datagedreven overigens voor enige verwarring te zorgen. Dat komt doordat mensen gedreven niet herkennen als een vervoeging van het werkwoord drijven (‘in een bepaalde richting doen gaan’), maar het in verband brengen met het bijvoeglijk naamwoord gedreven in de betekenis ‘door een sterke innerlijke aandrang gestuwd’. Van de weeromstuit hebben sommige organisaties het over datagedrevenheid („Datagedrevenheid is de essentie”).

Mensenwerk. Onlangs was ik er zijdelings getuige van dat een notaris een fout maakte in een contract. Na een schriftelijke klacht belde de kandidaat-notaris die het dossier had voorbereid. Zijn reactie: „Het is en blijft mensenwerk, hè” – een reactie die je eerder van een amateurklusser zou verwachten dan van iemand uit een beroepsgroep die er juist is om fouten te voorkomen.

Ik vroeg me af sinds wanneer mensen zich met deze dooddoener verdedigen, want een echt excuus kun je het niet noemen.

Hoogstwaarschijnlijk gaat het woord mensenwerk terug op de Bijbel. In Handelingen 5:38-39 stelt de farizeeër Gamaliël tijdens een zitting van het hoogste joodse gerechtshof voor om de apostelen van Jezus hun gang te laten gaan. Zijn argumentatie: „Als het mensenwerk is wat ze nastreven, zal het op niets uitlopen, maar als het Gods werk is, zult u niets tegen hen kunnen uitrichten.”

Mensenwerk wordt hier dus tegenover Gods werk geplaatst, waarbij „werck uyt menschen” (zoals het in de Statenvertaling nog heet) per definitie onvolmaakt is.

Interessant is dat men aanvankelijk, in de zeventiende en achttiende eeuw, zei het is geen mensenwerk in plaats van het is (of blijft) mensenwerk. Met het is geen mensenwerk bedoelde men indertijd: het is meer of beter dan de mens kan maken, dan wel: het is erger of sterker dan de mens kan verdragen. Zo dichtte Justus van Effen in 1734: „Neen, ’t is geen menschen werk die lieve drift te stuiten/ Natuur gij zegepraalt.” Hij bedoelde: liefde, een natuurkracht, is sterker dan de mens.

Lang komen we het woord mensenwerk vooral in theologische geschriften tegen, maar vanaf het begin van de negentiende eeuw duikt het ook daarbuiten op. Zo schreef de Arnhemsche Courant in 1821: „De Britsche zeemagt is kolossaal, dit wordt algemeen toegestemd; maar men verlieze toch nimmer uit het oog, dat dezelve menschenwerk is, dat wil zeggen, broos en wisselvallig gelijk de mensch zelve.” In de decennia daarna maakte ook de uitdrukking alle mensenwerk is onvolmaakt opgang.

De jongste editie van de Dikke van Dale geeft als verklaring bij het is/blijft mensenwerk: „Kan niet door machines worden uitgevoerd, ook: wordt niet perfect.” Opmerkelijk genoeg is God, de oorspronkelijke maatstaf van perfectie, hier vervangen door machines. Hoewel machines, al dan niet datagedreven, ook maar door mensen zijn gemaakt en dus het risico van imperfectie in zich dragen.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders