Zonder standplaatsen sterft de woonwagencultuur uit

Woonwagens Jonge woonwagenbewoners kunnen moeilijk een plek vinden voor een eigen woonwagen. Ze wonen noodgedwongen in stenen huizen. De Nationale Ombudsman vindt dat gemeenten meer voor hen moeten doen.

Piet, zijn zoon Jan (met vrouw en baby) op bezoek bij de ouders van Piet. Piet en zijn zoon Jan wonen in een woonwagen met de hele familie in Arkel. Foto Merlin Daleman

In een kleine woonwagen met vier kamers woont de 48-jarige Piet van Assendorp, op een terreintje pal naast voetbalclub ASV Arkel. Met uitzicht op de velden staan vijf woonwagens naast elkaar opgesteld. Achter het terrein liggen volkstuintjes. Piet woont sinds 1978 op het kamp. Inmiddels met zijn vrouw, drie zoons, zijn schoondochter en sinds kort ook met zijn kleindochter, die nog geen jaar is. „Mijn zoons moeten wel hier wonen, want ze kunnen nergens naartoe.”

Piet zegt al jaren bezig te zijn om voor zijn kinderen een nieuwe woonwagen te regelen. Maar een vergunning aanvragen bij de gemeente voor de standplaats naast zijn woonwagen valt niet mee.

De Nationale Ombudsman, Reinier van Zutphen, is „nog lang niet tevreden” over de manier waarop gemeenten omgaan met woonwagenbewoners. Dat schrijft hij deze week aan minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66). Vorig jaar mei publiceerde de Ombudsman al een rapport na klachten over het „uitsterfbeleid”: de aanpak van gemeenten om vrijgekomen standplaatsen niet opnieuw voor woonwagens te benutten.

De conclusies van dat rapport: Nederlandse gemeenten kijken onvoldoende naar de mensenrechten van woonwagenbewoners. De cultuur van Roma, Sinti en ‘reizigers’ is erkend in internationale verdragen, onder meer door jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dus moeten de groepen beschermd worden. Wonen in een woonwagen is niet vrijblijvend, maar heeft een mensenrechtelijke basis.

Mensen kunnen zich niet voorstellen hoe we worden gediscrimineerd.

Toch kiezen sommige gemeenten ervoor vrijgekomen standplaatsen niet langer als standplaats uit te geven. Op die manier wordt het aantal plekken voor woonwagenbewoners in een gemeente langzaam verminderd. Volgens de Nationale Ombudsman geven veel gemeenten als reden dat ze woonwagenbewoners willen ‘normaliseren’: ze willen dat ze in huizen gaan wonen.

Jan van Assendorp, zijn vrouw en hun dochter (foto links) wonen voorlopig nog samen in één wagen met Jans vader Piet (foto rechts), zijn moeder en twee broers. Ze hebben geen eigen standplaats op het terrein in Arkel, bij Gorinchem.

Foto’s Merlin Daleman
Jan van Assendorp, zijn vrouw en hun dochter (foto links) wonen voorlopig nog samen in één wagen met Jans vader Piet (foto rechts), zijn moeder en twee broers. Ze hebben geen eigen standplaats op het terrein in Arkel, bij Gorinchem.
Foto’s Merlin Daleman

Uitsterfbeleid

Omdat woonwagenbeleid in de eerste plaats een lokale aangelegenheid is, is niet bekend hoeveel gemeenten zulk beleid hebben gevoerd. Wel tikte het College voor de Rechten van de Mens sinds 2014 tien gemeenten en vijf woningcorporaties op de vingers omdat ze Roma, Sinti of ‘reizigers’ zouden hebben gediscrimineerd.

Het uitsterfbeleid is in het verleden aangemoedigd door de rijksoverheid. In een zogeheten handreiking uit 2006 aan gemeenten wordt de ‘nuloptie’ genoemd: beleidstaal voor uitsterfbeleid. In 2016 werd het document offline gehaald. Inmiddels werkt het ministerie van Binnenlandse Zaken aan een nieuwe handreiking, waarin de nuloptie zal verdwijnen, onder meer vanwege het rapport van de Nationale Ombudsman.

Maar de Ombudsman, Reinier van Zutphen, vreest dat dit „een papieren werkelijkheid” is. Want, zo constateert Van Zutphen, voor veel jonge woonwagenbewoners is het nog altijd onmogelijk aan een standplaats te komen. „Alleen het stoppen met afbreken van standplaatsen in Nederland is niet genoeg. Er moeten meer standplaatsen worden gebouwd. De wachtlijsten zullen blijven, maar nu sta je daar als jonge woonwagenbewoner soms tien jaar op. En dat is veel te lang.”

Opgesloten

In 2012 werd Jan, de zoon van Piet van Assendorp, achttien jaar. Tijd om te trouwen, tijd voor een eigen plek. Maar alleen op het kampje in Arkel, in de Alblasserwaard, zoeken nog zeven andere jongeren naar een standplaats. Jan: „Sommige leeftijdsgenoten gaan in een huis wonen, omdat ze geen woonwagen kunnen krijgen. Maar dat doe ik niet, want dan kom je nooit meer een woonwagen in.”

Inmiddels is Jan van Assendorp 24 jaar, en woont hij nog altijd in de woonwagen van zijn vader. Hij draagt een trainingspak van Feyenoord en werkt in ploegendienst. Hij heeft net een dochter. „Weet je wat het is? In een huis kan ik niet wonen. Je kijkt tegen de muren aan, traplopen ben ik niet gewend. Ik voel me er opgesloten. Het is alsof ze tegen jou zouden zeggen dat je in een woonwagen moet gaan wonen.”

De zoektocht van zijn zoon was voor vader Piet van Assendorp reden om actie te ondernemen. Hij richtte in 2012 de Vereniging voor Behoud Woonwagencultuur op. Want, zo zegt Piet van Assendorp, als er geen nieuwe standplaatsen bijkomen „sterven we als woonwagenbewoners uit”. Exacte cijfers over het aantal woonwagenbewoners op een wachtlijst worden niet landelijk bijgehouden. Volgens Piet zijn het er in heel Nederland zo’n drieduizend. Vijftienduizend oud-woonwagenbewoners zouden inmiddels in huizen wonen, sommigen tegen hun zin.

In de woonwagens naast Piet van Assendorp wonen een neef, een nicht, een broer en zijn vader en moeder. „Bij ons gaan kinderen niet naar de crèche en bejaarden niet naar het bejaardentehuis.”

Volgens zoon Jan hebben woonwagenbewoners vooral last van hun imago. „Ik betaal netjes belasting, ik werk veertig uur per week. Maar mensen vragen me altijd andere dingen: of ik in de wiet zit, of ik alles zwart doe en of bij ruzie mijn hele familie komt helpen.” Piet, lachend: „Dat laatste klopt dan wel weer, hoor.”

Ook Nationale Ombudsman Van Zutphen ziet dat vooroordelen over woonwagenbewoners soms een grote rol spelen in het beleid van gemeenten. „Gemeenten gebruiken woorden als ondermijning of criminaliteit wanneer ze het beleid verdedigen om standplaatsen af te breken.” Onterecht, vindt Van Zutphen. „Als iemand wiet teelt in een rijtjeshuis, mag hij dan nooit meer in een huis wonen?”

Criminaliteit

Als reactie op het rapport van de Ombudsman laten vijf gemeenten weten dat zij de conclusie van het rapport niet onderschrijven. Drie gemeenten geven aan dat ze zich wel degelijk zorgen maken over „ondermijnende criminaliteit” op woonwagenlocaties.

Gemeenten gebruiken woorden als ‘ondermijning’ in hun argumentatie standplaatsen af te breken.

Van Zutphen erkent dat criminaliteit soms speelt op woonwagenkampen, maar dat doet er in zijn ogen niet toe. „Het beleid is te algemeen. Ambtenaren hebben vaak een bepaald gevoel bij een woonwagenkamp, zo van: daar wonen geen mensen zoals wij, daar gebeuren dingen die niet mogen.” Volgens Van Zutphen verplaatsen ambtenaren zich te weinig in redenen waarom mensen in woonwagens willen wonen. „Deels is de gedachte bij gemeenten misschien wel: als het zo moeilijk is, dan ga je toch in een huis wonen?”

Zijn grootste nachtmerrie

Voor André van der Haar (26) is in een huis wonen zijn grootste nachtmerrie. Van der Haar, die in het dagelijks leven auto’s verkoopt, probeert al acht jaar een woonwagen voor zichzelf, zijn vrouw en hun twee kinderen te vinden. Hij staat in verschillende gemeenten in de buurt op een wachtlijst. Zijn vrouw en kinderen wonen in een Utrechtse flat, hijzelf een eindje verderop in een minuscule kampeerwagen op het erf waar de woonwagen van zijn ouders staat. Binnen zijn meer spullen dan de kleine oppervlakte aankan, een elektrisch kacheltje helpt Van der Haar de koude dagen door.

Zoon jan heeft net een kind gekregen. Hij geeft hier de fles aan zijn dochter. Eindelijk na zes jaar is er zicht op een eigen woonwagen: naast de woonwagen van zijn vader.Foto Merlin Daleman

De kampeerwagen staat er illegaal, maar Van der Haar zegt niet anders te kunnen. Wonen in een flat met zijn vrouw en hun kinderen ging niet. Hij deed de deur niet op slot, waardoor er vreemden in zijn huis stonden. Zijn schoenen zette hij voor de voordeur, waarna ze gestolen werden. Zijn hang naar de barbecue („buiten koken noemen wij dat”) op het balkon van de flat begrepen de buren niet.

Omdat standplaatsen zo schaars zijn ontstaat volgens André van der Haar nog een ander probleem: handel in standplaatsen. „Sommige woonwagenbewoners trekken door het land en laten hun standplaatsen leegstaan. Die worden dan soms voor tienduizenden euro’s zwart doorverkocht, terwijl je op de legale manier een paar honderd euro aan huur betaalt.” Het geeft de kampen een nog slechtere naam, denkt hij. „Het is wat de gek er voor geeft. Je trekt zo criminelen aan.”

Ook Van der Haar denkt dat mensen een beeld hebben van woonwagenbewoners dat niet altijd klopt. Hij ziet het zelf in de praktijk: mensen die met hem een afspraak hebben om via Marktplaats iets te kopen, maar zich omdraaien als ze zien dat hij op een woonwagenkamp woont. Of kinderen die met Halloween voor snoep langs alle deuren gaan, behalve in het kamp.

Van der Haars moeder Dien vertelt dat ze tien jaar lang bij een schoonmaakbedrijf heeft gewerkt, maar dat alleen de directeur en haar leidinggevende mochten weten waar ze woonde. Op hun verzoek, het zou klanten afschrikken. „Mensen kunnen zich niet voorstellen hoe we worden gediscrimineerd.”

Volgens Ombudsman Van Zutphen zijn gemeenten nu aan zet. Zij moeten woonwagenbewoners „een kans gaan geven”. Hun manier van leven, zegt hij, mag niet verloren gaan. „Ik denk dat veel mensen niet begrijpen hoeveel pijn het een woonwagenbewoner doet als hij niet meer in een woonwagen kan wonen. Weinig mensen die in een huis wonen kennen woonwagenbewoners echt. Maar, geloof me, het zijn ook gewoon mensen. Mensen met tradities, die ze niet kwijt willen.”

Voor de zoon van Piet van Assendorp is er hoop. Een vergunning lijkt inmiddels rond, Piet heeft al een woonwagen gekocht voor zijn zoon. Het is nog wachten op gas, water en elektriciteit. Naar verwachting kan hij in de zomer verhuizen. „Dan heeft mijn zoon eindelijk een eigen huis. Hier naast ons, op het woonwagenkamp. Zoals het hoort.”