‘Wilhelmina liet het afweten’

Joden en het koningshuis In bejaardentehuis Beth Juliana in Israël gaat vrijdag de Nederlandse tv aan voor Koningsdag. Maar de Oranjeliefde is er bekoeld.

Eetzaal in bejaardenhuis Beth Juliana, in het Israëlische Herzliya. Foto Tali Mayer

Verzorgingstehuis Beth Juliana in het plaatsje Herzliya is heel Nederlands én heel Israëlisch. De gangen hangen na de viering van de Israëlische onafhankelijkheidsdag nog vol met Israëlische vlaggetjes, met Koningsdag komen daar oranje ballonnen bij. In de tuin staat een houten molentje, op de salontafel ligt het bekende Holland-prentenboek van tekenares Charlotte Dematons. De bordjes ‘Vuilnis’, ‘Stafkamer’ en ‘Magazijn’ naast de deuren zijn in het Nederlands en Hebreeuws. De bewoners, die als kind de oorlog overleefden, kijken met gemengde gevoelens naar de Nederlandse koninklijke familie.

De Joodse gemeenschap in Nederland is altijd Oranjegezind geweest. Uit het historisch overzicht bij de tentoonstelling Joden en het Huis van Oranje in het Joods Historisch Museum die koning Willem-Alexander onlangs opende, bleek dat het Koninklijk Huis in de vierhonderd jaar durende relatie werd gezien als beschermer van de Joodse gemeenschap. Dit beeld, dat ook na de Tweede Wereldoorlog lang in stand bleef, is de laatste jaren onder invloed van kritische onderzoeken gekanteld.

Lees ook de column van Jutta Chorus: De koning en de pijnlijke waarheid

Annie Hollander (91), van oorsprong Duitse, herinnert zich dat ze als zesjarig meisje met haar hele klas van de joodse school ging zingen en met vlaggetjes zwaaien als de koningin voorbijkwam. Ze kwam in 1932 als vluchteling naar Nederland, dus voor haar was de Oranjegekte nieuw. Medebewoner Hans Levi (75) weet nog dat in het traditionele joodse gebed voor het Koninklijk Huis werd gevraagd om „de vleugels over de koninklijke familie uit te strekken”. Zodat ze in de schaduw bleven, grapt een tafelgenote.

Verhuizing naar Israël

Veel Joodse overlevenden verhuisden kort na de oorlog naar Israël, omdat ze zich in Nederland niet meer thuisvoelden of omdat er door de Holocaust weinig Joodse Nederlanders over waren. Pas in Israël werden ze naar eigen zeggen „een compleet mens”. Toch voelen ze zich nog steeds ook heel Nederlands. „Mijn achterkleinkinderen zijn dol op de hagelslag die bij het winkeltje te koop is”, zegt Rachel Davids (86).

Rachel Davids en haar man Nechemia. Foto Tali Mayer

„Mijn familie was ook erg Oranjegezind, maar bij mij is dat er wel afgegaan”, zegt mevrouw Julia Izaks (88). „Mijn hele familie is in de oorlog vermoord, en koningin Wilhelmina heeft het laten afweten.”

Wilhelmina werd met haar toespraken op Radio Oranje altijd gezien als steunpilaar van het Nederlandse verzet. In al haar toespraken noemde ze de Joodse gemeenschap echter slechts drie keer. „Ze zat ver weg”, zegt Levi vergoelijkend. „Misschien heeft ze niet geweten wat er gebeurde.” Buurvrouw Izaks schampert. „Jij was drie toen de oorlog begon.”

Natuurlijk wist ze het wel, zegt ook antisemitismespecialist Manfred Gerstenfeld vanuit Jeruzalem. „Ze wilde het niet weten. Als de koningin burgers en politie expliciet had opgeroepen niet mee te werken aan de vervolging, of had gezegd dat collaborateurs streng zouden worden berecht na de oorlog, was het een stuk moeilijker geworden voor de Duitsers.”

Radio Oranje kunnen de meeste mensen in Beth Juliana zich niet herinneren – „we waren nog klein, als we het al hoorden, wisten we toch niet waar het over ging” – maar hun oorlogstijd des te beter. „We stonden in de rij voor een razzia”, vertelt Davids. „Toen zei een kennis van mijn vader: geef me de kinderen. Mijn broer en ik werden ergens in Limburg afgezet.” Ze was elf. Achteraf hoorde ze dat haar ouders binnen twee weken waren omgebracht in Sobibor. Het is een snippertje van de talloze gruwelverhalen van de bewoners, die in dit tehuis vooral een gedeelde geschiedenis vinden.

Foto Tali Mayer
Foto Tali Mayer
Foto Tali Mayer

De houding tegenover het Nederlandse koningshuis blijft voor de Joodse overlevenden tweeslachtig. Toen Juliana haar moeder Wilhelmina in 1948 opvolgde als koningin, kregen ze er ook nog een Duitse prins-gemaal bij. „Natuurlijk vonden we dat niet leuk”, zegt Hollander. „We kwamen net uit de kampen.” Toch weet Davids nog dat ze na de oorlog deelnam aan een ceremonie waar ze de sleep van Juliana vasthielden, en ze vertelt trots dat haar schoonmoeder nog op de foto staat met Juliana, die in 1986 – inmiddels als prinses – op bezoek kwam in het tehuis. En toen een medebewoner moest vechten om haar Nederlandse nationaliteit te herwinnen nadat zij met een Pool was getrouwd, schreef zij een noodkreet aan de koningin.

Het weerspiegelt hun relatie met hun moederland. Na soms al 65 jaar in Israël spreken de meeste bewoners verrassend goed Nederlands – maar als ze even een woordje kwijt zijn, wordt dat moeiteloos vervangen door het Hebreeuwse equivalent.

Excuus Rutte gevraagd

Gerstenfeld zou graag zien dat premier Rutte „net als andere Europese landen deden” alsnog excuses aanbiedt voor het gedrag van het Koninklijk Huis en de regering in ballingschap tijdens oorlog. De koffiedrinkende dames en heren in Beth Juliana kijken liever niet meer terug. „Ik heb prinses Juliana destijds de hand geschud en mijn mond gehouden”, zegt Izaks. „Wat had ik tegen haar moeten zeggen?”

    • Jannie Schipper